is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

0111 ze evenals de andere uitgaven te houden voor eene tegemoetkoming aan de getroffen burgers. Was er in de rij van stadsrekeningen niet eene lacune van bijna 30 jaar, hadden wij de rekening van 1345 in plaats van die van 1373, dan zou misschien zekerheid zijn, wat nu een vermoeden blijft nl., dat de raad aan sommige eigenaars van renten, die geld behoefden voor den herbouw hunner huizen, het kapitaal gaf voor hunne jaartijnsen, anderen, die geen koopers vonden voor hunne beschadigde huizen of leeg gebrande bouwterreinen, in de gelegenheid stelde de op dit oogenblik voor hen waardelooze eigendommen van de hand te doen en zich zoo geld te verschaffen.

In geen van de Duitsche, ook in geen van de Nederlandsche steden, omtrent wier inkomsten wij door de uitgave der rekeningen ons een oordeel kunnen vormen, is eene aanduiding te vinden voor een streven, als haai' op de geciteerde plaats in de „Wirtschaftsgeschichte" toegeschreven wordt2).

Eene schijnbare uitzondering vormt Brunswijk. Dit bestond uit 5 naast elkaar staande steden, waarvan drie, de Weichbilde, de eigenlijke vrije stad vormden 3). Die „Weichbilde" hadden naast de gezamenlijke ook nog hunne eigen inkomsten en uitgaven en het budget van één ervan eischt in 1354 voor aankoop van grondtijnsen 60 °/0, in het volgend jaar 37,4 °/0 van het totaal der uitgaven 4). Het financieel beheer toont hier evenwel zoo weinig van zorg der overheidspersonen voor de belangen der stad en zooveel van hun lichtvaardigheid en gebrek aan onbaatzuchtigheid, dat wij hier waarschijnlijk staan voor eene onverdedigbare speculatie met het gemeentevermogen. De grondtijnsen waren vermoedelijk renten van hypotheken door den raad aan vriendjes en verwanten verstrekt.

Hiernaast zijn nog enkele gevallen, waarin sommige steden op een vooraf niet berekende wijze groote stukken bouwterrein en huizen in handen gekregen hebben. In het midden der 14e eeuw hadden in vele steden groote jodenmoorden plaats, naar aanleiding van den zwarten dood. Werden de ongelukkigen, die door het bijgeloof van die dagen als schuldig aan het uitbreken dier ziekte werden aangewezen, niet alle omgebracht, dan werd den overblijvenden toch het verblijf in de stad ontzegd. De Keizer, onder wiens bescherming ze stonden en die met het jodenregaal een van de

1) Zie Bijlage.

2) Naast de „gesonderte St&dte", Altewick en Sack, welke onmiddellijk onder den hertog stonden, waren er de „Weichbilde": Altstadt, Neustadt en Hagen, nieuw opgekomen naast de beide andere, waarschijnlijk het oude grondlieerljjke dorp, dat in 1345 aan de Weiohbilde verpand en daarmee vereenigd — maar niet als geljjkgereohtigd deel — werd: Hegels Chroniken der deutsohen Stiidte, VI, Einl. S. XII.

3) Het betreft de Altstadt- H. Mack, Die Finanzverwaltung der Stadt Braun-

schweig bis zum Jahr 1374 (Gierkes Untersuohungen, XXXII, 1889), 8. 76 ff.