Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Duidelijk blijkt uit de pogingen door de steden gedaan om in het gemis van eene marke of in hare ontoereikendheid te voorzien, den prijs, dien zij er op stelden '). En het is begrijpelijk. Wel leverde het platteland in hoofdzaak het vee en graan, vooral het laatste, maar de uitwisseling van producten was niet zoo vlug of zoo volledig, dat de stad zich niet voor een deel zelf helpen moest.

I)e vorsten, die den steden marken schonken, beseften dit ook, of liever ze gaven de stad, wat haren bewoners volgens de toenmalige begrippen toekwam. Want de mark was zoo'n algemeen bezit, dat men de aanspraak erop als een soort natuurrecht beschouwde. Van een stuk land, dat den bewoners van het bovengenoemde stadje Villingen indertijd door de graven van Schwarzenberg geschonken was, werd in 1225 bij een geschil over de aanspraken daarop door eenige oude getuigen gezegd, dat het niet alleen hun, maar iedereen ten gebruike was afgestaan 3). In 1245 verklaarde de burgerij van Constanz tegenover een klooster, dat deelen van de stadsmark aan zich had getrokken: niet zij, maar de mensclien in het algemeen behoorden deze weiden in gebruik te hebben De stadsweiden van Bremen waren opengesteld, „omnibus liabitantibus in civitate, vel eciam iter facientibus per eam"4). Merkwaardig is ook de redeneering, waarmee de raad van Hildeslieim in 1440 hare rechten op het woud tegenover den bisschop zocht te verdedigen. Ilij zeide nl., dat sedert den tijd, toen de mensclien begonnen samen te wonen en de eerste dorpen ontstonden, „van den dorpschuppen wikbelde werden gemaket unde van den wikbelden in dem, alse sik dat volk vormeret, met uthbredinge der buwe stede werden begreppen unde gestichtet, de stede also gelccht und begreppen werden, dat de innewonere der steden mogen hebben te orer brukinge water unde weyde, acker unde holt"5). Deze naïeve stedentheorie, hoe waardeloos ze op zich zelve ook moge

stukken ervan genoemd, waaronder een riddersdochter uit Hocliheim ilTrkl). I, S. 244; voor „prata sita ultra Rhenum in Burgervelde", 1276). Voor de weiderecliten in 1489 liad de kooper der dorpen waarschijnlijk eene veete tegen de stad moeten voeren. Geschillen als deze tusschen de steden en de omliggende dorpen over de mark zijn lang niet zeldzaam in Overijsel (Zie Van Doorninck in Overijs. Bijdr., IV, blz. 120, maar de hier gegeven voorbeelden vallen alle na de middeleeuwen).

1) Hierover ook G. van Below, Die Entstehung der deutsehen Stadtgemeinde (1889), S. 50 f.

2) Gothein, Schwarzwald, I, S. 85 f.

3) Ib., S. 74.

4) Geciteerd: Gengler, Reelitsalterth., S. 277.

5) Hildeslieim. Urkb., IV, S. 300, art. 38. Nog op het einde van de 1 Gd»' eeuw erkent de hertog v. Beieren de noodzakelijkheid voor eene stad, om eene gemeene weide te hebben. Hij zegt in 1589: „dieweil unns .... daran gelegen, dass unser Hauptstatt Miinchen bei gueten wesen und würden erhalten aueli wolil bcwohnt werde. Deme aber abprichig sein meohte, do dabei an notwendiger waidt und pluembbesuech geprechen sein solle" oto. en geeft haar daarom eene stadsweide: Maurer, Stadteverf., I, S. 273 noot 1.

Sluiten