Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grenzen kent. „Die Rechtsgemeinschaft ist den Rechtsgenossen gegenüber nicht ein Subject einzelner Rechte, da die Geltung ihres Willens eine unbegrenzte ist" *). Van rechten van den burger tegen den staat kan a fortiori geen sprake zijn: „es ist in der That ein Ding der Unmöglichheit, dasz derjenige verpflichtet sei, welcher berechtigt ist, sich von seiner angeblichen Verpflichtung beliebig zu befreien f). Hoogstens kan men hier van toleranties spreken. De administratieve rechtspraak is dan ook niet een middel ter waarborging en handhaving van subjectieve publieke rechten, maar alleen eene betere organisatie der staatsorganen tot richtiger uitvoering van den staatswil. Gaat een orgaan zijne bevoegdheid te buiten, niet de staat pleegde onrecht, maar een individu matigde zich ten onrechte staatsfunctie aan, en wordt deswege door den staat — in zijne rechterlijke functie — terechtgewezen. Dwaasheid is de leer, welke den staat — als rechter — over den staat— als bestuurder — laat vonnissen, eene dwaasheid, culmineerend in het competentieconflict, waar de een- en ondeelbare staatswil zou treden in conflict met zich zelf, om weder van denzelfden staatswil — dus van zichzelf — de beslechting van den strijd te vragen. Neen, de staat, als lex animata, kan geen onrecht plegen; hij is, zooals Bruno Schmidt hem heeft genoemd, de eenige Nietzsche's .„Uebermensch", die los van iederen band, in bewuste volheid van macht, den vrij gekozen weg vervolgt. Hem geldt het lofdicht, eens aan keizerlijke machtsvolkomendheid gewijd:

•) E. Höldkr, Objcctivcs und subjectivts Hecht, 1893, pag. 3a.

t) Dr. Bruno Schmidt, Der Staat, 1896, pag. 82.

Sluiten