Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarde is, bij den dood van Saul en Jonathan (2 Sain.

1 : 12), als ook bij dien van Abner (2 Sam. 3 : 35) aan het verworpen gebruik heeft medegedaan. Wel behoorden die gelegenheden tot vroeger jaren van zijn leven, de tijdsafstand is te gering om de opvallende tegenstelling met 2 Sam. 12 van geen beteekenis te achten. Ten slotte is het ook voor de tijdsbepaling van dit verhaal van wezenlijk belang, dat vs. 20 vermeld wordt, dat David „het luiis van Jahwe binnengaat en zich daar nederwerpt." Omdat de tempel in Davids dagen nog niet bestond, stempelt deze trek. in aansluiting met de aanduidingen in andere punten gevonden, de pericope

2 Sam. 12 : 15v. tot een produkt uit een tijd na David.

Zoo wordt van meer dan ééne zijde de opvatting aanbevolen, dat deze verzen in zich sluiten een bezadigde polemiek tegen de oude wijze van vasten na een sterfgeval, onder aanprijzing van een nieuwe beschouwing. Of David zelf in de richting, in 2 Sam. 12 uitgedrukt, zich heeft gedragen, kan ontkend worden; men kan gelooven, dat de schrijver een voorval uit het leven van den vromen koning heeft vervormd en dienstbaar gemaakt aan zijn streven om een oud onverstaanbaar geworden volksgebruik uit te roeien door het in nieuwen, meer met eigen (tijd)geest strookenden vorm aan te bevelen. Aan den anderen kant evenwel is deze beschouwing niet de eenig mogelijke. Gesteld, dat de auteur der pericope, levende eenigen tijd na den tempelbouw, het verhaal in den tegenwoordigen vorm ons beeft gegeven met het bewuste streven, het oude rouwgebruik te doen verdwijnen om bet vasten voor het vervolg aan te bevelen als middel ter verzoening met Jahwe, dan doet bij dit. omdat het godsdienstig ontwikkelingsstandpunt van zijne dagen dat eischt. Maar evenals die nieuwe opvatting van het vasten bij hem (en bij hen, die hierin met hem overeenstemden) moet zijn voorbereid door een wijziging van de verhouding van den Israëliet tot Jahwe, zoo is het ook mogelijk en niet

Sluiten