Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men, maar ook de onreinheid moeten worden verklaard uit de veronderstelde aanwezigheid van den doode.

Schreven wij boven, dat het vasten onthouding is van de onreine levensmiddelen, dan moet dit thans zoo worden verstaan, dat de voorhanden spijzen niet worden aangeroerd met het oog op den doodengeest. Grüneisen, die meent, dat al de rouwgebruiken na een sterfgeval in acht genomen worden uit vrees voor den doodengeest, wil dit beginsel ook bij het vasten laten gelden. Te recht zou men zeggen. Was geen vrees voor nadeelige gevolgen hoegenaamd aanwezig, dan was er voor de verwanten geen reden tot onthouding. Dit kan evenwel aanleiding geven tot misverstand. Men zou kunnen besluiten, dat de doode een den nabestaanden volstrekt vijandige macht is. Dit is niet het geval. Met piëteit en een geest van liefde blijft men den doode gedenken. De spijziging op het graf, het klaaglied en wellicht nog andere gebruiken zijn als uitingen van die gezindheid op te vatten. Maar waarom geldt dan de onreine spijze als gevaarlijk, als onbruikbaar? Plastisch uitgedrukt: omdat o. m. de voorhanden spijze wordt aangemerkt als het eigendom van den doode; in een meer wetensehappelijken term : het voedsel is tahoe geworden. Dit is de eenig mogelijke verklaring. Iemand, die in het dagelijksch verkeer met vrienden of verwanten op vriendschappelijken voet leeft, heeft van die zijde geen gevaar te duchten. Anders wordt dit echter, wanneer hij het waagt, zich op wederrechtelijke wijze aan het hunne te vergrijpen. Zoo ook hier. Met den dood wordt al wat in de woning is onrein, plotseling rust daarop een taboe. Gebruikmaking o. m. van de levensmiddelen is niet geoorloofd, omdat zij eigendom van den doode zijn. Wie bet waagt zich te goed te doen aan het verbodene, maakt zich den doode tot vijand en kan nadeelige gevolgen van zijn daad verwachten.

Sluiten