Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het \asten in 1 Sani. 14 dan is een godsdienstige daad, geschiedt in betrekking tot Jahwe en wordt opgelegd gedurende tien strijd. Daar het na de vervolging gehouden (offer-) maal niet in rechtstreeksch verband staat niet de opgelegde onthouding, is het vasten geen voorbereiding tot gemeenschap niet Jahwe door gebruik van heilige spijs. Indirekt volgt uit vs. 24, 29 en 30, dat vasten gedurende een veldtocht niet tot de gewone, maar tut de buitengewone maatregelen behoort. De oorlogen van Israël zijn oorlogen van Jahwe. De strijders zijn heilige strijders, Deut. 23:!)—11; 1 Sam. 21:5. 6; 2 Sam. 11 : 11. Jahwe is in hun midden en strijdt met en voor hen. Is men verzekerd van zijn hulp, dan kan men rekenen op de overwinning. Het komt er dus op aan, zijn gunst te winnen. Jefta belooft, zoo hij als overwinnaar uit den strijd terugkeert, een menschenoffer, Richt. 11 : 31. Ook

mentaai- op dit vers 1. c. deze woorden : ^ ^

= (vert. Freytag bnd, II, p 124).... nonnisi esurientes dimicare solebant".

Hamasa p. 218 infr. staat:

i_\Sj Loi*/toï LUs- sLXc wat door Fr.

wordt overgezet (bnd II p. 387): „O Rodaiua! si vidisses matutino tempore quo venimus odio pleni. quum venter noster vactius esset." Ihtawainu wordt nl aldus uitgelegd (p. 219):

i' o' ^

»~N **3'' ^ ~sShi Jl Kxjlu = „d. w. z.

„wij hadden niet gegeten; men was [namelijk] gewoon nuchter ten strijde te trekken en vond liet verschrikkelijk, wanneer iemand gedood werd of een lansstoot hem trof in den buik of een slag, en het eten er uit kwam; dit toch was een oneer voor hem," vg. vert. in bnd II, p 388; voorts G. \V. Freytag. Einleitung in das Studium der Arab. Sprache, 1861, S. 264. Het blijkt herhaaldelijk, dat een volk aan eigen gebruiken, welker beteekenis onbekend is geworden, een anderen daaraan oorspronkelijk geheel vreemden zin geeft

Sluiten