is toegevoegd aan uw favorieten.

Het vasten bij Israël

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behoefte aan spijs en drank niet bevredigd worden. De tegenwoordigheid van Jahwe, de gewijde toestand, zij maken onthouding van spijs en drank tot plicht >).

Het naastvolgende voorbeeld van vasten is te vinden in Jer. 14: 12. Er is slechts terloops van vasten sprake. Langdurige droogte heeft in Juda en Jerusaleni algenieene verslagenheid teweeggebracht. Het bebouwen van den grond is bij gebrek aan water tot een onmogelijkheid geworden (14 : 4). De hinde op 't veld laat haar jong in den steek, want er is geen groen; de oogen van den woudezel versmachten, omdat er geen kruid is (5, 6). Juda en Jerusalem zijn in rouw, en tevergeefs stijgt hun jammerklacht tot Jaliwe omhoog. Ook Jeremia smeekt om uitredding. Maar Jahwe is onverbiddelijk. Hij verbiedt zelfs den profeet voor zijn volk te bidden (11). Want ,,als zij vasten, luister ik niet naar hun gekrijt; en als zij brandoffer en meeloffer brengen, heb ik in hen geen behagen (14). Thans laat hij zich door niets verbidden, zelfs door geen vasten, enz., want de ongerechtigheden en afwijkingen zijn menigvuldig, er is zwaar gezondigd (7, 10).

Hoewel Jahwe het nakomen van andere verplichtingen van zijn volk eischt, mag toch uit dit verband niet worden afgeleid, dat vasten en offers als zoodanig door hem worden veroordeeld. Doch het gros van het volk denkt anders dan Jeremia. Uit het feit, dat men ter afwending van Jahwe's toorn vast en offers brengt, blijkt, dat de massa meende met deze middelen Jahwe te kunnen verzoenen. Zijn gramschap is in hun oog niet altijd het gevolg van bedreven kwaad. Jahwe toornt dikwijls zonder dat Israël zich van schuld bewust is. Om die reden is het vasten niet noodzakelijk een

') Een dergelijke voorstelling vindt men Slavische Henoch 56 : 1, 2, waar Henoch voedsel weigert met de woorden : „ .. . . sinds God mij gezalfd heeft met de olie zijner heerlijkheid, heb ik geen voedsel genoten." vg. W. R. M o r f i 11 and R. H. Charles, The book of the secrets of Enoch, etc. Oxford 1896, p. 71v