Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onschuldig .Joma 8 : 3. Behalve deze negatieve uit¬

spraak komt in de Tosefta daarnaast nog voor: „Wie eet van iets. wat geoorloofd is te eten. is schuldig," J. Kipp. •> : 3. Deze uitspraken werpen, dunkt ons, eenig licht op de bepaling, dat men h.v. iemand, die geeuwhonger heeft, onreine of heilige spijs toedient (zie hoven) '). At zoo iemand \ an gew non voedsel, hij zou liet vastengebod schenden. Maar wanneer hem onrein of heilig voedsel wordt toegediend, dat hij onder gewone omstandigheden en in gewone tijden niet zou aanroeren, blijft hij tot op zekere hoogte getrouw aan het voorschrift, de alledaagsche voedingsmiddelen niet te gebruiken. liet zou echter ook kunnen zijn, dat men den mensch, die geeuwhonger heeft, daarom op onrein of onsmakelijk voedsel vergast om mogelijk bedrog tegen te gaan.

Intussclien uit al deze bepalingen moge blijken, dat nauwgezette betrachting van het vastenvoorschrift van hoog belang is, do zondedelgende kracht van 10 Tischri ligt niet enkel in niet-eten en niet-drinken. Met deze opmerking hebben wij niet het oog op den uitgewerkten offerritus, evenmin op de beteekenis van den bok voor Azazel. Al even weinig gaan ons hier de overige verbodsbepalingen aan, welker inachtneming tezamen niet het vasten de n'iyn uitmaken (geen sandalen dragen, enz.). Dit alles kunnen wij laten rusten. Maar ter vaststelling van de beteekenis van het vasten is het van wezenlijk belang te weten, niet zoozeer, welke de strekking van den verzoendag in het algemeen is,

') Joma 8:6: men geeft iemand, die de geeuwhonger heeft, zelfs onreine spijs te eten. Volgens T. J Kipp. 5 : 4 geeft men öf tèbel, of nebela, of theruma, of sjebiïth. Behalve nebëla, dat onrein is, zijn de overige drie soorten voedsel heilig. Bovendien verontreinigt o.a. sjebiïth (T. Sjeb. 7 : 3v. b:n by -bnno vg. M. Sjeb 7:7. Dat ook het

heilige verontreinigt, is bekend. Mischna en Tosefta beide willen dus iemand, die geeuwhonger heeft, onrein voedsel laten geven. In Deut. 14: 21 wordt het gebruik van nebëla uitdrukkelijk verboden, vg. Ex. 22 : 31 ; M. Chulin 4 : 4.

Sluiten