Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Derde Tooneel.

Svend verrijst van zijn zetel en wendt zich tot de bonden.

Svend.

Welkom, gij mannen! De eerste maal verzaemt Een roep des konings zóó het Deensche volk Om onze troon. Maar 't dringen van den tijd Ontried ons 't oud gebruik tot u te gaan In elk gewest: dies noodde ik u tot mij Door 't volk gekooz'nen, de edelsten van 'tvolk!

Zorg was gezel ons sinds het eerste uur Dat koning Emund neerlag in zijn bloed,

' Getroffen smaad'lijk op het zomersch thing,

En sprak in 't donker van den wintertijd Te vaak tot 't hart... gehaat werd ons zijn stem.

Thans banden wij dien droevigen gezel,

Wijl 't voorjaar jong en ongerept door zorg,

Victorieus van geest jaagt over vlakte En heuv'len achter den Geweld'gen God!

Geen waanbeeld was die zorg: allen weet gij 't!

Zichzélf verteert het Rijk van tweespalt krank.

'k Begreep mijn koningstaak. Zoo niet een daad,

Een koningsdaad ons opheft in deez' nood,

Stort Denemarken zich in eigen zwaard.

Doch 't zij verhoed! Bedenkt, hoe Denemarken

Door één gedachte onweerstaanbaar eens

't Nooit-falend zwaard van 't Noorden was... thans, wijl

Ons broederhaat tot angstig spieden noopt

En onmacht weerzijds, moordt het zwaard der Wende'

En Slave' op zomer-rooftocht ongestraft.

Op! tégen 't heidenvolk! ten heil'gen tocht!

Voor 't land verlossing, voor den Deen een school

Van krijgs- en burgerdeugden, ver van twist

Zich saam te voelen in één goede zaak,

Voor mij een koningsplicht!

Hij zet zich neer op de troon.

Thans spreekt ook gij 1 Spreekt eerlijk als Deensche mannen, want in dadenvolle dagen sterkt de macht van het Rijk weerzijds verstaan, dat koning en volk vereent.

Een oogenblik van weifelende stilte.

Een der bonden. Vergun mij koning, dat ik spreek. Ik hoorde met vreugde de woorden, die gij tot ons spraakt en ik dacht: gaf

Sluiten