Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was eveneens in Augustus 1257 dat de abt van St. Truyen eene lijfrente toekende aan den edelman Heer Gijsbert Spiering, kanunnik van St. Maarten te Utrecht, waartegenover deze afstand deed van zijne aanspraak ter zake van de prebende van Alem 1). In een oorkonde van 12 Juni 1257 wordt melding gemaakt van lieer Gerard Spiering als een der medestanders van Heer Floris, Voogd van Holland 2).

Wanneer wij een Dirk Spiering, die in 1284 land te Hazerswoude bezat, met stilzwijgen voorbijgaan, is de eerste, dien wij daarna aantreffen, weder een Wouter Spiering, die in 1314 elf hont land »in Aelborghers VVaeshuevel''aan de abdij van St. Truyen overdroeg 3).

Ook al zou men zonder meer bereid zijn aan te nemen, dat de Wouter Spiering van 1200 in werkelijkheid de stamvader van het geslacht is geweest, wat zeer wel mogelijk is, dan zou toch, bij de schaarschheid van gegevens uit de dertiende en het begin der veertiende eeuw, van een ook maar eenigszins volledige genealogie, waardoor het verband van de verschillende takken duidelijk zou worden, geen sprake zijn. De moeilijkheid wordt niet weinig vergroot door de groote willekeur, waarmede tot in het einde der 15de eeuw toenamen plachten te worden aangenomen en verwisseld. Slechts enkele voorbeelden mogen volstaan om te doen zien, hoe uiterst moeilijk het zou zijn den draad te vinden, welke de vele Spieringen, die in de tweede helft der 14de eeuw in het tegenwoordige Noord-Brabant voorkwamen, aan elkaai kan hebben verbonden. Men vindt in dien tijd melding gemaakt van b.v.:

■Tan Spiering zoon van [Vouter Spiering van Dinther, ■fan Spiering van Veen zoon van Herman van Veen, Jan Spiering zoon van Dirk van Gestel,

Jan Spiering zoon van Jan de Custer van Heeswijk,

1) Cartulaire de 1'Abbaye de Saint-Trond, I, 238.

2) Oorkondenboek van Holland en Zeeland, II, 28.

3) Cartulaire de 1'Abbaye de Saint-Trond, I, 345.

Sluiten