Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van zijn scheemrige ziel, gelijk zich spreidt Een tafereel op het gevoelig glas —

En éen kort uur scheen hem zijn levenstijd.

fij fonrvA

Het was hem of hijzelf de speler was En voor den Meester zat hij neer die stil Starend in zijn muziek de beelden las

Die in hem rezen zonder dat zijn wil Ze opriep: hij leidde alleen dien kleurgen vloed Door 't juichend galmen, 't fluisterend geril

Van zijn bedwongen snaren smeltend zoet Of toornig dreunend — toen hij eindlijk zweeg Glimlachte de ander, zei: „zoo is het goed" —

En lei zijn hand op 't hoofd dat siddrend neeg. —

Dat was zijn eerste glorie. En hij zag

Hoe zijn gestalte forscher breedde en steeg —

Straks donsde 't om zijn kin — wijl dag aan dag Hij speelde in droomen eindloos, — maar opeens Voelde hij leeg zijn ziel. Hij zweeg. Daar lag

De wereld voor hem open, vol geweens,

Vol vreugd, vol strijd — levende heerlijkheid —

En zonder aarzling liet hij wat maar eens

De mensch geniet en ieder kind benijdt:

Zijn jeugd, achter zich. En hij schreed door steden

Waar rustlooze arbeid dreunde wijd en zijd,

Sluiten