is toegevoegd aan uw favorieten.

Aischylos' Agamemnoon

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beeldende, schakeerende grieksche woorden moesten hun gelijkwaardige of benaderende vertolking vinden in woordsamenstellingen en -vervormingen.

Het is duidelijk dat niet de nederlandsche rijmen, maar wel de aan het grieksch tegemoetkomende woordbehandeling een moeielijkheid voor den lezer oplevert. De moeielijkheid zou niet beloond worden als zij niet leidde tot het genot van verzen in wier schoonen gang elke zwarigheid wordt meegedragen, van verbeeldingen wier kracht en wier fijnheid grooter bewondering afdwingt naarmate ze beter verstaan worden. Ik verzoek u te bedenken, lezer, dat dit moeielijke, maar zéér zuivere nederlandsch den schat van een van de

grootste schoonheden voor u verborgen houdt.

* *

*

Nanacht. Op het dak van Agamemnoons paleis rijst de wachter uit zijn liggende houding en spreekt.

Den goden vraag ik vrij ding van dit moeite-zijn,

Wacht jaarlang, uit wier allenachtelijk betrek. —

Elbooggehurkt als waakhond op 't Atreidendak, —

Ik van gesternten de avondlijke gaadring weet;

Nu-ook-weêr hoed ik 't afgesproken fakkelsein,

Den vuurglans die uit Troia kondschap breng'

En mare van veroovring: zoo toch eischt bevel

Van dat hoog vrouwhart dat naar mannenraadslag hoopt.—

Doch als ik op nachtopen storm- en dauwbezocht Leger mij neêrvlij waar nooit droom het opzicht houdt:

Immers als tegenwind strak staat gestage vrees Openspalkend mijn oogleên tegen wil en lust,...

En 't valt mij in te zingen of te neuriën, —

Dat reede toovermiddel dat den slaap bezweert, —

Wordt het éen klaagzang van den rampspoed van dit huis Dat niet, als vroeger, meer uitnemend wordt beheerd.

Woorden als »vrijding" en »betrek" geven van het begin af te kennen waar het hier om gaat. De ongewone, hoewel toch juiste vormen, worden om redenen van maat en versbouw aangebracht.