Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in het eene volk. En de niet uitgeroeide maar veelal slechts schatplichtig gemaakte (en dan straks meermalen met Israël en Juda vermengde) Amoriten en Philistijnen droegen op groote schaal het hunne hiertoe bij. Zoo is de oude streng Babylonische type sints lang gewijzigd, en ziet men onder de in Israël of Juda getelden menig blankhuidig, blauwoogig, Amoritennakomeling of drager van een ander afstammingsmerk.

De Kinderen Israëls moeten dan ook wèl afgezonderd — maar niet eenzelvig — zijn. Zij mogen niet in anderen ondergaan. Anderen wèl in hun zegeningen deelen. Zoo kan in geestelijk opzicht de ellende der slavernij voor menig onbesnedene een oorzaak van eeuwigen zegen worden, door hem te brengen binnen — straks te doen opnemen in — den kring van Jehova's Genadeverbond.

De besneden slaaf deelt dan ook ten volle in de geestelijke voorrechten der Hebreeën, zie het bij de Besnijdeniswetgeving óók aan die op het Sabbathsjaar'): „En de inkomst van den Sabbath des lands zal voor U tot spijze zijn, voor U, en voor Uw slaaf, en voor Uw slavin."

Natuurlijk geldt de Week-Sabbath, die voor ieder en alles geldt, óók voor de slaven. Het is dus niets bizonders, wanneer op het2) „dan zult Gij geen werk doen volgt: „ Gij, noch Uw zoon, noch Uw dochter, noch Uw dienstknecht noch Uw dienstmaagd". Maar wèl is het voor ons gesprek van beteekenis, dat in hetzelfde boek van Mozes 3) gezegd wordt: „ Zes dagen zult gij Uw werken doen; maar op den zevenden dag zult Gij rusten: opdat Uw os en Uw ezel ruste, en dat de zoon Uwer slavin en de vreemdeling adem scheppe." En vooral veelbeteekenend ten deze is het vijfde boek van Mozes. Daar wordt

1) Leviticus 25 : f>.

2) Exodus 20 : lü.

3) Exodus 23 : 12.

Sluiten