Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was dit geschied, of een troep soldaten toog er heen en plantte er de Britsehe vlag, — de rijke landstreek werd tot een district van de Kaapkolonie verklaard. Die brave, edele Britten! We hebben intusschen nooit vernomen, wat Waterboer van hen gekregen heeft. En de Vrijstaat? Die werd gedwongen, voor 90 duizend pond sterling zijn rechten op de landstreek aan Engeland af te staan. Voor 90 duizend pond zeg ik; en zulks terwijl de opbrengst van de te voorschijn gehaalde kostbare steenen in één dag meer bedroeg, en zulks ondanks het krachtig protest van den Volksraad en van President Brand, die zelf te Londen het goed recht van den Vrijstaat ging verdedigen; en zulks niettegenstaande de Vrijstaatsche Regeering dringend verzocht had, het geschil te onderwerpen aan de uitspraak van den keizer van Duitschland, den koning van Nederland of den President van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. >) Op arbitrage was Albion, evenmin als tegenwoordig, gesteld; want het wist te goed, dat het heerlijk hapje op die manier den mond voorbij zou gaan. En de Vrijstaat van den anderen kant was niet bij machte, zijn recht met de wapens te verdedigen! — Zoo was het Diamantenland alzoo Britsch eigendom ....

Het leven van de eerste diamantdelvers in deze dorre en waterlooze streek was uit den aard der zaak alles behalve benijdenswaardig. De dagen waren brandend heet, de nachten doordringend koud. Water was een weelde, vaak was dit zelfs in 't geheel niet te bekomen. Een tent van zeildoek vormde de eenige beschutting tegen de felle zonnestralen in de heete zandstormen, en nog kostte deze op het terrein zelfs over de 200 gulden. Wie een houten of ijzeren loods bezat, was den koning te rijk af. Tot de enkels waadde men er in het zand, dat de atmosfeer vervulde, de oogen verblindde en de ademhaling belemmerde. Vliegen en andere insecten kon men zich niet van het lijf houden; er was gebrek aan alles; het kamp der mijnwerkers was bezaaid met vodden, lappen, snippers, versleten schoenen, oude hoeden, scherven, beenderen en afval, waarop honden en Kalfers als razenden aanvielen. 2) — De eigenaars der terreinen, waar de rijkste plekjes werden aangetroffen, waren Hollandsche Boeren: De Beer, Van Wijk, Duplooy, Dutoit e. a. Aanvankelijk gaven zij tegen geringe retributie vergunningsbriefjes af aan de delvers. Doch de stroom werd hun weldra te machtig, ze konden het niet langer lijdelijk aanzien, hoe die vreemde indringers hun erf afstroopten. Dat was geheel in strijd

1) Hr. W. A. Baron van Ittersum. De Vrijstaters en hun Geschiedenis.

2) S. Kalff. Onder een worstelend volk.

Sluiten