Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den der zendelingen in deze statie kunnen opmaken. „Na den dood van den eerw. pater Joannes van Alkemade, ben ik den 2den Maart 1683, door zijne Doorl. Hoogw. den bisschop van Castorië in de plaats van den overledene toegelaten. Ik preekte in het bedehuis van den voornoemde op de feestdagen van Kerstmis, Pinksteren en Paschen na den middag; op de werkdagen droeg ik het H. Misoffer op ; op Zondagen namiddag verklaarde ik den catechismus; ik hoorde de biecht. Op de Zondagen hield ik ook de vespers en op den eersten Zondag der maand een preek. Dit geschiedde, bij weten en zonder tegenspraak van voornoemde Doorl. Hoogwaardigheid."

Daar het bezit der Krijtbergkerk minder aangevochten werd, zullen er de godsdienstige oefeningen minder belemmerd en dus talrijker geweest zijn ; het doop- en trouwboek van pater Martens draagt dan ook geen sporen van achteruitgang of verslapping, veeleer het tegendeel.

Ook elders schijnt het later gunstiger te zijn geworden. Althans in de jaarbrieven (litterae annuae) van 1688 vind ik over de Amsterdamsche Jezuietenstaties in 't algemeen aangeteekend „dat, behalve den Superior der missie en een leekebroeder, drie paters ]) in twee bedehuizen (de derde was op last van den bisschop sinds 1669 gesloten) met de zielzorg belast waren; dat in ieder bedehuis eiken Zondag tweemaal gepreekt, en tweemaal in de week de catechismus werd uitgelegd; dat in den vastentijd wekelijks twee meditaties werden gehouden." Ook bestond er een soort

gebracht. Zie daarover de Haarl. Bijdr. I bl. 101, 102 en verg. J. J. Graal' in Oud-Holland XX bl. 248. Den 18 Sept. 1661 waren een Jacobus en Margareta v. C'ampen de doopheffers van Corn. van Campen, zoon van Gijsbert en Maria Jonckheym.

1) Deze waren, behalve pater Martens, Jacobus de Coninck van 1678—1698 missionaris op de Verwersgracht, — door J. Cousebant „vir prudens et facundus" genoemd, — en Philippus Happert of Happart „vir exemplaris".

Sluiten