Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooral der Jansenistische woelingen, destijds in vollen gang. Martens' opvolger, de Mechelaar Jacobus Ylemincx

— door de burgelijke ambtenaars der Amstelstad ook wel Flemmingh en Vleemings geheeten — zoon van Joannes V. en Elisabeth Moock, was de laatste Jezuïet in de zeventiende eeuw, die in 't ongestoord bezit zijner statie gebleven is. De Jansenistgezinde apostolische vicaris Petrus Codde, over wien later breedvoeriger, spaarde reeds in 1694 en volgende jaren geen enkel middel om de drie Jezuïetenkerken te Amsterdam, ook den Krijtberg, te doen sluiten.

Al zijn mij geen nadere bijzonderheden aangaande de geestelijke werkzaamheid van pater Ylemincx bekend, toch is het zeker dat hij een welsprekend redenaar en een geliefkoosd herder zijner schapen moet geweest zijn. Zeker is het ook, dat de door pater Vlemincx in het doop- en trouwregister ingeschreven namen talrijker zijn dan ooit te voren

— wel een streng bewijs, dat alle pogingen der Jansenistgezinden om de Jezuïeten te verdrijven vruchteloos bleven, zoolang de politieken en 't hooge staatsbestuur der republiek er zich niet mede inlieten en, gelijk later gebeurde, partij trokken voor de zoogenaamde discipelen van S. Augustijn tegen de kinderen van den H. Ignatius. Bij zijn dood, die den 26sten Augustus des jaar 1699 voorviel, — hij werd den 29sten Aug. in de Oude kerk begraven, ') — verscheen er een rouwgedicht op zijn zalig afsterven en werd er een gedachtenispenning te zijner eere geslagen. Het gedicht, dat ik tot mijn leedwezen niet meester heb kunnen worden, voert tot titel Rou-clagt over 't afsterven van den seer Eeriv. Heer Jacobus Flemminck, Priester der Societeyt Jesu, Missionaris ende Zielroerende Leeraar Gods tot Amsterdam. Den 26 Augusty 1699. Zekere Ad. Kiebenbos schreef dat rouwgedicht in de Hollandsche en Latijnsche taal, en liet het te Amsterdam op een folio-blad drukken bij Willem

1) Bern. de Bont in de Bijdr. v. Haarlem XYII bl. 70.

Sluiten