Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het onderwijs te veel is over het hoofd gezien. Hier moet men den man van 't vak een weinig geloof schenken: er is niet zooveel verschil in de spijzen der openbare en der bijzondere scholen x); het is hoogstens eene quaestie van toebereiding. Bovendien, het beginsel is eenmaal in onze schoolwetgeving opgenomen, dat de gemeenschap de hulp niet versmaadt van hen, die scholen van eigen fatsoen willen stichten, mits ze de noodige waarborgen geven. Die quaestie keert trouwens straks terug. Het was nu alleen de bedoeling, te doen uitkomen, hoe de opvoedende invloed van de school welbezien meer in de muziek dan in de woorden zit, meer in het karakter van het schoolleven dan in den inhoud van het onderwijs, meer in de schoolzeden dan in de schoolkennis 2). Hoe echter kan men dan beweren, dat eene wet op den leerplicht, die de bedoeling heeft het schoolleven der Nederlandsche kinderen te perfectioneeren, door er het va-et-vient van een koffiehuis of eene markt te doen wijken voor de weldadige rust van een goed gezin, een inbreuk op het recht der ouders zou zijn? Eene school is geen kerk en geen klooster, maar

1) Hier valt — al gaat ze niet zoo ver als bovenstaand oordeel — eene merkwaardige verklaring van den oud-afgevaardigde Mr. A. II. M. van Berckel in het Huisgezin, te registreeren (opgenomen in het persoverzicht van het Hbl. van 14 April): „Na, als men mij vraagt, of ik geloof, dat er in ons land vele ouders zijn, die uit gemoedsbezwaar hunne kinderen van onderwijs verstoken laten, antwoord ik gulweg neen. Herinner ik mij wel, dan verkondigt ook het bekende bisschoppelijk Mandement den regel: waar geen Katholieke school te bereiken is, daar liever het staatsonderwijs dan in 't geheel geen. Dit neemt echter niet weg, dat de wetgever verplicht was, met deze moeilijkheid ter dege rekening te houden. En ik inoet zeggen, het komt mij voor, dat de heer Borgesius zich veel moeite heeft gegeven, ja zich zeiven geweld heeft aangedaan, om die klip te omzeilen''.

2) Wundt, Log ik II, 2, 302: „Kenntnisse können vergehen, aber Sitte und Gewöhnung und der aus beiden gefügte Charakter des Menscheu beharren",

Sluiten