Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Twee personen nemen b.v.b eenzelfden toon aan; maar de een noemt dien toon c, de andere e. Zingt nu de een c—d en de andere e—f, dan komt de eerste hooger uit dan de tweede. De tweede heeft dus een kleinere toonschrede gedaan dan de eerste, kan zelfs nóg zulk een toonschrede doen, eer hij even hoog als de eerste is. Daaruit blijkt duidelijk, dat de toonschrede e —f slechts half zoo groot is als c— d.

Men onderscheidt daarom diatonische halve en diatonische heele toonschreden, of — kortweg: diatonische halve en diatonische heele tonen.

6N. Onderzoeken we de toonschreden tusschen alle 7 stamtonen, dan vinden we h—c gelijk aan e—f; de andere alle gelijk aan c—d.

Een diatonische reeks stamtonen, die een octaaf groot is, en dus alle stamtonen bevat, bestaat derhalve — onverschillig met welken toon zij begint — uit 2 diatonische halve en 5 diatonische heele toonschreden of tonen. De diatonische halve tonen zijn b—c en e—f.

09. Bij de stamtonen zijn geen andere halve tonen te vinden. Er moeten echter nog andere zijn. Want evengoed als er een toon is: f, die een halve toonschrede hooger ligt dan e, moet er een zijn, die een halve toonschrede hooger dan b.v.b. c ligt. Die toon is niet zoo hoog als d: hij ligt tusschen c en d in.

Een nieuwe plaats als noot is echter niet voor hem beschikbaar, want c en d nemen twee opeenvolgende plaatsen op den balk in; een nieuwen naam kan hij evenmin krijgen, want in 't alphabet volgt d onmiddellijk op c. Men geeft

4*

Sluiten