Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reed ik door Gang Passarbaroe, waar Dekker toen woonde in een bamboehuisje, zoo wat van den weg af. Op eens riep hij: „Brenti!" —en de koetsier, t was een Kossong, hield op. Dekker stapte bij mij in. De koetsier reed door naar de Harmonie op Noordwijk. Daar stapte ik uit, hij ook. Ik nam eene keu en stootte zoo maar eens, hij ook — de javaansche biljartjongen begon te tellen. We speelden ééne partij, eene tweede, eene derde. Ik lei mijne keu neer, hij ook. Ik stapte in mijn rijtuig, hij volgde me. We reden weg, denzelfden weg terug. Vlak voor zijne woning riep hij: „Brenti, koetsier!" De koetsier hield op en Dekker stapte uit. Toen keerde hij zich naar mij en zei: „Dank je wel voor den gezelligen avond en je prettig gezelschap." — Daarna waren we weer heel goed met elkaar."

Zoo n verhaal, overgebriefd aan den heer Versteegh, was voldoende, om tegenzin te wekken in het jongemensch, dat de hand van zijne dochter vroeg. En niet minder excentrieke verhalen waren er bij de vleet; zoo'n pantomime was eigenlijk niet zoo heel excentriek, ,,'t Was een raar heer!" zei M. B., „maar ik hield veel

Sluiten