Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gods is volslagen onkenbaar — dan staan wij tamelijk eenzaam en verlaten daar met ons: wij kennen ten deele. Hier knijpt men de oogen toe en zegt: „ik zie niets" en daar spert men ze wijd open en bluft: „ik zie alles". En wij — wij verachten noch de wetenschap, erkennen zelfs dankbaar hare diensten, noch de profeten en heroën in wier zielservaringen wij een deel der waarheid huldigen, maar blijven niettemin smachten naar meer licht on komen telkens weer tot de overtuiging, dat de zon der kennis hier niet schijnt en dat het eind der wijsheid is: wij weten weinig, te weinig, Heer!" —

Ja waarlijk zoo is het. Afgezien nog van de machtwoorden kracht en stof, die niets verklaren en die gebruikt worden menigmaal door wie zelfs het bestaan der problemen nauwelijks vermoeden—afgezien daarvan, wat tasten wij in het duister rond in menig geval!

Uit de werking der natuurverschijnselen hebben de menschen gepoogd het wezen Gods af te leiden. „De hemelen vermelden Gods heerlijkheid , zegt de Psalmist „en het uitspansel verkondigt zijner handen werk". En vóór en na hem heeft men in 't natuurleven openbaringen gezien van Gods majesteit en grootheid, van Zijne oneindigheid en Zijne zorgende liefde. Wijst niet Jezus op de vogelen des hemels en op de leliën des velds, als hij tot vertrouwen wil opwekken en op de zon, die boozen en goeden beschijnt, als hij Gods liefde wil teekenen?

Maar diezelfde natuur is het tooneel van een ontzettenden strijd op leven en dood en zoowel ons naar zorgende liefde dorstend hart als ons gevoel voor

Sluiten