Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En zeiden ze niet, hoe het achteruitging, is de hoest erger, is ze zwakker. Zondag was het niet ernstig?"

„Ze hoestte erg benauwd, ik hoorde zeggen van croup."

„Croup?" vroeg Elise angstig. „Is er een dokter?"

„Ik denk van niet, mevrouw."

De meid ging naar haar keuken, Elise bleef alleen. Ammerberg, die naar een predikantenvergadering was, wachtte ze niet voor elf uur per rijtuig thuis

„Half negenl Nog twee en een halfuur. Croup en geen dokter. Het kan in twee en een half uur te laat zijn."

Elise luisterde. In huis eenzame stilte, maar buiten loeiden de windstooten, die kwamen opzetten tegen de hooge pastorie en om de hoeken gierden en bulderden.

Ze schoof het gordijn open; regen, die tegen de ruiten kletste en afstroomde. Het plein blanknat, geel glimmend, waar het matte licht van de petroleumlantaarn viel.

„Was Hubertus maar thuis! Het is ver op de hei.

Maar het is zijn kind O, als ik een kind te behouden of te verliezen had!"

Ze schelde.

„Geef me gauw mijn regenmantel en laarzen, ik moet naar Marks."

„Maar mevrouw! Weet u wat voor weer het is? En Marks is ver."

Sluiten