Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar helder scheen de zon, toen ik voor het eerst den maatslag in mijn polsen gevoelde, toen al de rhythmische beweging van hoofd en hart in woorden van mijn lippen ging ruischen, als de wind, die, door het elzenloof spelend, het doet ritselen en popelen, zijn zilveren onderkant naar boven keerend. O weelde en triomf van den dichter, als hij het eenvoudige ,,ja" van een man, het onbeduidende „neen" van een vrouw, de geringste menschelijke aandoening in woorden weet te kleeden, die u als met bovenaardschen gloed doortintelen; die het hart van alle mannen en vrouwen op aarde in beweging brengen, alsof een afgestorvene wederkeerde en met oogen, stralend van hemelvreugde, aan het alledaagsche en overbekende een goddelijke uitdrukking gaf. Hoe zwelt hierbij ook 's dichters eigen hart van zaligheid; 't is of de engel daarbinnen onrustig met de vleugels klept en op wil varen tot de zijnen, tot dat talloos geestenheir, dat zich koestert in de stralen van de eeuwige zon.

O leven, o poezie, dat is leven van dit leven, inniger leven dan mijn hartader ontwelt, vurige drang naar een waarheid, die deze zinnenwereld te boven gaat; poezie mijn leven, mijn adelaar, die mij uit het midden der herders en van achter de kudde hebt weggeroofd en mij in uw klauwen, nog gloeiend van den bliksem uws Zeus, ten Olymp hebt gedragen, midden in den kring der jubelende, schaterende goden. Wat straalden die aangezichten als ik, als schenker, den beker hun reikte, opdat de lach van hun godenlippen niet wijken mocht; hoe bedwelmde mij zelf schier de blik dier godenoogen!

Genoeg Ganymedes. Een, tweemaal den kring in het rond gegaan, dan u den gouden beker aan Here's voeten laten ontglijden en in bewusteloozen sluimer naar de aarde teruggezonken, om, voorover liggend in de pijnappels, huiverend van den dauw te ontwaken, terwijl de honden bassen en de herders grommen:

Sluiten