Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE BOEK.

De jaren vloden heen. Daar rees aan de kimmen de morgen van mijn twintigste jaar. En — beurtelings achter en voorwaarts blikkend — daar stond ik. vrouw en kunstenares, beide onvolkomen, beide vol geloof aan volmaking. Heel de schepping hield ik omvat in den kleinen beker, dien ik met een glimlach aan mijn dorstige lippen bracht. „Op uw welzijn, mijn goede buurman, op het uwe en het mijne en dat van alle volkeren op het wereldrond."

Ik was blijde dien morgen. Het was Juni, ook daarbinnen, met zijn nachtegalenkoor, dat vroolijk in het duister zong, met al zijn rozenknoppen, die blozend haar kelken ontsloten. Ik voelde mij zoo jong, zoo krachtig, zoo zeker van God! Zoo blijde, zoo tot allerlei dwaasheid geneigd en — al twintig jaar oud! Nog even mijn kindsheid teruggehouden en dan haar gezichtje voor altijd vaarwel gekust. In die stemming ijlde ik heen, de frissche morgenlucht in. Ik gunde mij den tijd niet om naar mijn hoed te grijpen, ik liet mijn kleed een groene streep trekken over het vochtige gras, terwijl ik mij voortspoedde naar de acaciaboschjes om mijn hersenschimmen hoog den blauwen hemel te doen inzweven ; om mijn ge-

3

Sluiten