Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Denk u iemand, die op een zomeravond in gedachten verzonken naar de muggen op den waterspiegel van een vijver tuurt en op eens iets ziet aandrijven — bovenkomen... een dood gelaat, eens levend gezien, zoo welbekend en toch .. . zoo nieuw zoo vreemd! Het zou afschuwelijk zijn, indien het weer in de diepte verdween en hem in die kwellende onzekerheid liet! Hij springt het na — hij plast in t water, t is weg. — Ik stortte mij in de menigte, die ik rechts en links verscheurde. Ik stormde voort, voort... haar achterna. — Haar? Wie?

Een vrouw kwam mij drentelend te gemoet, bezig een appel te eten. Zij hield op met een verschrikt gezicht, alsof ik haar den appel ontnam. — Zij is het niet; dat is zeker. — Een heer wandelde gearmd met een gesluierde dame, de beide hoofden tot elkaar overgebogen, alsof zij het deden om elkander beter te verstaan. Mijn gelaat deed hem het hare een oogwenk vergeten, en zij vergat zich zelve en klemde zich aan hem vast, als dreigde er gevaar in mijn blik. Zulk een stroom van menschen en ieder met zijn eigen zorgen en belangen! Ik rende de geheele kade af, tegen al die oogen in. Geen Marian ; nergens Manan. Ik kon mij bijna niet weerhouden luidkeels „Marian, Maiian!" te roepen, gelijk een wanhopig schepsel dat om zijn dooden roept. — Waar is zij, waar was zij ? Was zij het werkelijk geweest ? — Ik stond stil, buiten adem, rondblikkend, turend naar alle zijden, totdat eindelijk een heer, even afgetrokken t i teSen het lijf liep, en terstond daarop den

schok in een vloed van verontschuldigingen deed uiteen spatten. Het was klaarblijkelijk een Academielid. die voor zijn gezondheid aan het wandelen was, en over het laatste „discours" liep te denken. Door den stoot strooide hij de snuif, die hij tusschen vinger en duim hield, over het hagelwitte vest, dat naar behooren met het eervoile rood in het knoopsgat prijkte. — „Pardon Madame— hij sprong een

Sluiten