Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in den hemel: de godheid spreekt, de engelen herhalen het. O het doet mij goed, het wascht mij rein van 's duivels slijk, dat Romney mij nog waardig acht zijn wettige, geëerde gade te zijn. Voortaan behoef ik niet te zeggen, dat ik mijn deel aan aardsche glorie niet had. Voor het overige — meester, engel, vriend, wees niet verstoord op mij — voor het overige is het maar al te duidelijk, waarom wij — gij en ik — onze handen nooit, nooit, nooit op die wijze in elkander mogen leggen. Ik weet, gij zult niet boos worden als andere mannen, wanneer ik u de waarheid zeg, u beken, dat ik u niet liefheb, Romney Leigh — u niet bemin. — Neen, gij behoeft mijn handen niet vast te grijpen en mij met uw oogen te doorboren, Miss Leigh; ik zweer, dat ik hem niet bemin. Deed ik het eenmaal? — Men zegt, dat men vrouwen heeft doodgetrapt en toch, indien zij eens hadden liefgehad, haar liefde niet met al haar bloed kon doen wegvloeien. Ik heb daarvan gehoord en het heeft mij aan het denken gebracht. Heb ik waarlijk eens bemind, of heb ik slechts aangebeden? Ja mijn vriend, misschien heb ik u zoo hoog boven al het goede, al wat ik hoopte of vreesde, boven al wat het mijne kon zijn gesteld, dat ik u ook boven de liefde, buiten bereik van deze mijn vrouwenarmen stelde! Wat leefde in mijn gedachten? Uw slavin, uw hulp, uw werk- en speeltuig te zijn. Uwe liefde te wezen!... daar dacht ik geen oogenblik aan. U liefde te geven!... veel minder nog. Gaf ik u liefde? — Ik geloof niet, dat ik u iets heb gegeven. Ik was alleen maar het uwe, op mijn knieën gebogen geheel het uwe, naar lichaam en ziel, met hoofd en hart. Een schepsel, dat gij van den grond hadt opgeraapt, maar dat door uwe vingers heen weer aan uw voeten gleed, om zich opnieuw bij het stof te voegen, waaruit het was voortgekomen. Beminde ik of aanbad ik? oordeel gij, Aurora Leigh. —

Sluiten