is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis der wording en ontwikkeling van het Christelijk lager onderwijs in Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de inleiding tot dezelve, den onderwijzer ten ernstigste aan te manen, om van den Bijbel bij zijne scholieren het meest gepaste gebruik te maken, en tevens aan te wijzen, uit welk oogpnnt men het niet aantreffen van den Bijbel op de Boekenlijst te beschouwen en te beoordeelen hebbe."

I)e maatschappij tot N. v. 't Algemeen, in wier geest en door wier toedoen vooral de wet ontstaan was, gaf in 1806 eene prijsverhandeling uit van H. W. C. A. Visser, waarin art. 23 der wet (behelzende de uitdrukking Christelijke (leut/den) op navolgende wijze werd verklaard : »Wat verstaat het Gouvernement door Christelijke deugd, waartoe de jeugd in de scholen behoort te worden opgeleid ? — Wanneer wij niet alleen omtrent anderen zoo handelen, gelijk wij wenschen, dat omtrent ons zeiven geschiede: wanneer wij niet alleen een ware zorg voor ons wezenlijk welzijn dragen, maar ook daarenboven zoodanig van God gevoelen, zoo van Hem deuken en zoo handelen, gelijk schepselen omtrent hunnen Schepper betaamt; wanneer wij dien eerbied en die liefde, dat vertrouwen, die gehoorzaamheid in al ons doen en laten, in al ons deuken en spreken jegens God oefenen, welke het aan afhankelijke schepselen jegens hunnen Schepper en Weldoener, hunnen Verzorger en Vader alleen betaamt, en welke de leer van Jezus zoo nadrukkelijk inprent en gebiedt; wanneer wij daarenboven, als belijders van Jezus alle maatschappelijke deugden in eenen veel uitgebreider zin oefenen, dan wij als ledeu der maatschappij behoefden te doen; wanneer wij niet alleen het welzijn van elk lid der maatschappij in het algemeen behartigen, maar ook zelfs onzen vijand liefhebben, kwaad met goed vergelden, het welzijn onzer vervolgers zoeken; wanneer wij niet alleen het tegenwoordige, maar ook het toekomstige heil onzer medemenschen bedoelen; dan kunnen wij gezegd worden Christelijke deugd te oefenen."

«Wanneer wij nu dit alles volbrengen uit geloof aan God, als de oorzaak onzes bestaans, den weldadigen Beschikker onzer lotgevallen, den Gever dezer wetten: uit geloof aan Zijne aanbiddelijke wijsheid, onkreukbare rechtvaardigheid, vlekkelooze heiligheid, en bovenal Zijne oneindige liefde en ontferming in Jezus Christus jegens ons; wanneer dit alles voortspruit uit erkentenis aan Hem, als den zedelijken Wetgever, den Regeerder en Rechter der menschen, uit geloof aan die hulp. ons daartoe beloofd en geschonken door Jezus Chris-