Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Daarna sprak de priester Eleazar aldus tot de soldaten: dit is het bevel, dat Jehovah aan Mozes gegeven heeft. Het goud, het zilver, het koper, het ijzer, het tin en het lood, al wat het vuur doorstaat, moet door het vuur gaan; men zal met water reinigen, al wat het vuur niet weerstaat. En gij zult uwe kleederen den zevenden dag wasschen, en gij zult, gereinigd zijnde, in het leger kunnen wederkeeren."

De genomene voorzorgen bleken waarschijnlijk onvoldoende te zijn, want in een anderen tekst van het Oude Testament is weder sprake van de ziekte van Péor:

„Was het niet genoeg, Péor aangebeden te hebben, dat de oorzaak is der plaag, die het volk van Jehovah getroffen heeft en waarvan wij nog niet gereinigd zijn." (')

De verbreiding der ziekte geschiedde voornamelijk door het Joodsche leger. Josephus, de geschiedschrijver en generaal, van de sekte der Pharizeën, zegt zeer juist (a): „de hoererij was toen door het geheele leger verspreid; er bleef toen zelfs om zoo te zeggen geen spoor van de oude zeden over. Het gevolg van de uitspattingen der Joden met de dochteren Moabs was een besmettelijke ziekte, die zich aan de bloedverwanten van den besmetten persoon mededeelde."

Het is klaarblijkelijk, dat deze besmettelijke ziekte slechts «en venerische kon zijn, daar zij, volgens de verordeningen van Mozes, uit de geslachtelijke gemeenschap der Israëlieten met de Moabitische vrouwen voortkwam, zoodat slechts de samenleving met maagdelijke meisjes aan de Joden geoorloofd werd. Nu moet de kwaal wel sterk gewoed hebben,

(1) Jozua. Hoofdst. 22 vers 17.

(2) Antiquités judaïques. Lib. IV. chap. 6.

Sluiten