Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de markten, de Agaranomoi, onder welks toezicht de vrouwen (didériaden) en haar koppelaars door de politie geplaatst waren. Deze huizen waren kenbaar aan een uithangbord, dat zich boven den ingang vertoonde en een roode priapus te aanschouwen gaf, even duidelijk als de groote huisnummers der bordeelen in Frankrijk.

Natuurlijk zag men met het voortgaande zedenbederf dictérions verrijzen in het midden der stad en deze bevolken niet alleen met slavinnen, zooals die in de dictérons deihavens gevonden werden, die slechts de taal van haar land spraken, maar ook door Grieksche vrouwen van minderen stand. „In deze huizen," zegt Dufour, „waarover een soort gemeentelijk politietoezicht gehouden werd, werd niets aan het oog onttrokken, en men stalde zelfs met een zeker behagen uit, al hetgeen maar in het bizonder de bewoonsters van de inrichting kon aanbevelen." Xedarchus in zijn Penthales en Eubulidus in zijn Pannychi, vertoonen ons deze naakte vrouwen naast elkander staande in het voorportaal en als eenig kleedingstuk slechts lange, doorschijnende sluiers aanhebbende, die voor het oog niets verborgen. Eenigen hadden met een verfijnde wulpschheid het gelaat bedekt, den boezem in een fijn weefsel omsloten, dat den vorm weergaf en het overige van het lichaam ontbloot. Volgens zekere schrijvers was het niet 's avonds, maar overdag, in het volle daglicht (»« aprico stantes) dat de dictérions al haar ontuchtige schatten ten toon stelden. Deze uitstalling van naaktheden diende deze huizen der uitspatting beter als uithangbord dan den geschilderden of gebeeldhouwden phallus, die den ingang versierde; maar volgens andere archeologen zag men deze wellustige schouwspelen slechts op de binnenplaats der huizen. De ingang was dag en nacht

Sluiten