Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zesde Leerjaar.

VIERDE GEDEELTE (DELFSTOFFEN).

Voor de behandeling der voor ons meest belangrijke delfstoffen verwijzen we naar onze Handleiding over Ambachten en Bedrijven ; bij de veenderij vindt men daar een en ander over het maken van turf, over laagveen, hoogveen, steenkolen, cokes; verder over de steenkolenbekkens in ons land en in andere landen, bruinkool. anthraciet en grapliiet of potlood. Uitvoerig vindt men verder daar behandeld veel, dat op het ijzer betrekking heeft: ijzererts en oer. smelten, gietijzer, smeedijzer, staal, gieten, smeden, trekken, blik enz. Wat de overige metalen betreft, we achten het niet noodig, die in bijzonderheden te behandelen. Eenige korte punten vindt men in het volgende.

1. De metalen.

Van alle metalen kunnen we zeggen, dat ze vrij zwaar zijn en een eigenaardigen glans, den metaalglans, vertoonen. De meest gebruikte zijn: ijzer, koper, lood, tin, zink, kwikzilver, goud, zilver en platina. In de vorige les hebben we staal en brons genoemd; deze worden echter niet in den grond gevonden. Staal verkrijgt men nl. door het ijzer te harden, terwijl brons een mengsel is van koper en tin. Door het ijzer met een laagje gesmolten tin te bedekken, verkrijgt men blik. Daardoor wordt het ijzer beschut tegen roesten.

Als men een stuk ijzer aan vochtige lucht blootstelt, krijgt hot

Sluiten