Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De platen geven:

I 'laat I: vogel, gebak, gordijn.

Plaat II: geel, groen, gras.

Plaat III: glas, wiegekleed, spiegel.

Plaat IYT: wagen, gooien (kegels).

De letter leeren kennen uit: een geit.

Vertellen enz. van de lesjes op bladz. 22, 23 en 24, 25. Opmerking: bladz. 24 behoort bij bladz. 23; wel staat bladz. 22 met de volgende twee in verband, maar wat op deze bladzijde staat, vormt een geheel en kan op zich zelf gelezen worden, al is er niets tegen de drie genoemde lesjes in één leesles achter elkaar te lezen; dan echter eerst bij wijze van herhaling, als de drie stukken afzonderlijk behandeld zijn.

Uittreksels:

Bladz. 22.

toos gaat mee naar tan-te kee.

mien wil ook wel met-gaan.

mien moet haar man-tel aan-doen.

er is een gat in dien man-tel.

tan-te zat niet voor het raam.

toos tik-te aan de ruit.

Bladz. 23. 24.

toos en mien wil-den gaan gie-ten.

met een gie-ter goot tan-te al-les nat.

in een hok was een geit.

er was geen voer in het hok.

in het hok van de kip-pen was een ei.

mien zei: ik zie er wel zes.

tan-te kook-te die.

die goe-de tan-te kee!

Bladz. 25.

wil-lem was met moe al-leen in huis.

wim zat in een hoek met een doek om hem heen.

toen kun moe hem niet zien.

op eens riep wim: kie-kiek!

die wim is een guit!

Sluiten