is toegevoegd aan uw favorieten.

De godin van het licht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE BOEK.

I.

eertien dagen verliepen. Uiterlijk stond de roman van mijn leven in dezen tijd volkomen stil. Het grootste aantal uren bracht ik door in de werk-

Kamer van den graaf, bijna altijd met hem alleen, verdiept in de schatten van zijn bibliotheek — leerend — mij verbazend. Ik zag de gezamelijke aanteekeningen door, die hij gemaakt had in vijf jaren van studie op spiritisch gebied, met koortsachtige haast las ik op de rij af de gewichtigste geschriften over de nieuwe leer. Voor mij onthulde zich het embryo van een reusachtig werk, dat de geheele philosophie en natuurwetenschap van onzen tijd van meetafaan zou omscheppen. Hier en daar lag als een, vóór de andere rijp geworden orgaan, een geheel gereed hoofdstuk, doch daarnaast waren leemten, waaraan nog gewerkt moest worden.

Dag aan dag kwam ik gelijk met de over het groene park heen schijnende zon in de groote, witte kamer en verliet die nauwelijks om aan tafel te gaan. Soms keek de graaf, die naast mij stil voor zichzelf arbeidde, even op en begon naar aanleiding van een woord of een vraag mijnerzijds een kort gesprek. Dan stokte dat debat weer, maar in den stillen, fraaien glimlach van mijn zwijgenden gezel, dien ik telkens weer op mij zag rusten, lag iets van een diepe, innige, genotvolle geestesgemeenschap — daarin lag zijn heele vreugde, dat ik zoo gewillig op deze studie inging en ook de vreugde over den gemeenschappelijken waarheiddienst, die een steeds vasteren band om ons vlocht.

Veel van wat ik las, kwam mij ook nu nog vreemd voor. Het was mij niet mogelijk de onmogelijke zigzagwegen van Zöllners dialectiek met onverdeelde belangstelling te volgen. Telkens stiet ik op onnauwkeurigheden

17