is toegevoegd aan uw favorieten.

Tot het uiterste

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drupte door een gootje der mondhoeken over de kin en kliederde neer op het klei-gore pilowvest. De eeuwig druppende peersblauwe spitsneus snoof luidruchtig, de groenachtige koude vischoogjes luikten bijna onder de rosgele, borstelige wenkbrauwen. Toon zag hem zoo een wijle beweegloos staan, een vogelverschuwer midden in de weide.

— 'k Verkoop . . . nie ... of. . . zeurde hij langs z'n zwart geblakerd pijpke en langzaam slenterden die enkele woorden over de bruin besopte lippen, 'n Schuwe blik naar Toon verried plots dat hij even den boel wantrouwde. Maar die deed niets dat hem argwaan kon geven en hij rapte al, lang gewend aan het teemend huichelen der veeboeren:

— Dan zijn we gauw klaar.

— Of — zeg 'k — de prijzen — motten 'r naar zijn, sleurde de boer verveeld achterop.

— Wat is de vraag? — da's twee keer, grinnikte Toon.

— As ge maor zeit, wa' ge bedoelt — de veerzen ? de bont ?

— De drie deur elkaar.

— Ko'p ze per stuk — heer — dan wit-te wa' ge het, vleide Smeenk.

Toon bekeek de twee aandachtig. Ze waren