is toegevoegd aan uw favorieten.

Tot het uiterste

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nijdig scherp soms van den boer en sussend teemerig zacht van den slachter die maar op het gewicht aanhield; schoon aan den haak, den afval — daar moest je niet aan denken, dan bleef er niets over. Toen keek Toon, als verpraatte hij hier zijn kostelijken tijd, op zijn horloge.

— 'k Ga het oe wenschen — saluut.

— En doe-d'r niks meer bij ?

— 'k Geef geen rooie cent meer.

— Nou dan — wel thuis — en — en — hoe hiet-te gai nou ?

Toon deed maar of ie niet luisterde, stapte bedaard de weide over en hoorde aan het klompgeschuif dat Smeenk kort achter hem mee liep. Nou moest hij niet omkijken — 't niet doen — net of hij er geen zin meer in had, weggaan en zich laten roepen. Zijn hart bonsde, zou hij met de kous op z'n kop naar oom Koos moeten ? en nog 'n spotlachje van Tienus Denen den meesterknecht toe krijgen? Toch niet zijn stap verlangzamen. Z'n hoofd deed hem pijn, 't was of iemand hem dwong om te zien en hij er zich uit alle macht tegen verzetten wilde. Smeenk vreesde zélf dat die vierde koopman 't erf af zou gaan zonder te koopen. Koos Bergman moest vandaag terug gekomen zijn, maar