Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beijverden zich, met hand en mond, om het plaatsje ledig te houden, in hun hart God biddende dat hij hun beschermeling wat vlug mocht maken.

„Schielijk, schielijk," zeide hij zelf intusschen onder het voorportaal aan de bedienden, die hem van alle kanten, hijgende en schreeuwende, omringden: „God zegene uwe excellentie! O excellentie! Ach excellentie! Och excellentie!"

„Schielijk, schielijk!" hernam Ferrer, „waar is die goede man!

De vicario, half gesleept en half gedragen door de zijnen, kwam in dit oogenblik de trappen af, nog zoo wit als een doek. Toen hij zijn red er zag, werd zijn adem weder vrij, kregen zijne beenen een weinig meer veerkracht, zijne wangen een weinig meer kleur, en zich zooveel hij kon haastende, om Ferrer te gemoet te komen, zeide hij: „Ik ben in de handen van God en van uwe excellentie. Maar hoe kom ik hier uit? Overal is volk, dat mijn dood wil.

„Venga con migo usted (Volg mij), en heb goeden moed. Hier buiten staat mijne koets. Schielijk, schielijk." Hij nam hem bij de hand en bracht hem naar de deur, hem gedurig moed insprekende, hoewel hij zelf in zijn hart ze^e: A qui esta el busilis! Dios nos valga! (Nu zal het erop aankomen! God

beware ons!) ,

De deur gaat open. Ferrer treedt het eerst buiten, de ander achter hem, ineengedoken, vastgeklemd aan en bijna verborgen onder de reddende toga, evenals een kind aan de rokken zijner moeder. Zij die de plaats ledig gehouden hadden trachtten nu, door het oplichten van handen en hoeden, hetgeen gebeurde aan de oogen der menigte te onttrekken. De vicario springt volgens gemaakte afspraak het eerst in de koets, en kruipt oogenblikkelijk in een hoek, bijna onder de bank. Ferrer volgt hem. Het portier gaat toe. De menigte vermoedt, bemerkt, weet wat er gebeurt, en vergenoegt zich met een verward gejoel van toejuichingen

en vervloekingen. , .

De terugreis zou misschien nog vrij wat moeielijker en gevaarlijker kunnen schijnen dan de uittocht. Maar de stem des volks had zich nu genoegzaam verklaard voor het gevangennemen van den vicario; en terwijl Ferrer in huis was, hadden zij die zijne aankomst gemakkelijk gemaakt hadden zich zooveel moeite gegeven, om hem een weg voor te bereiden en te bewaren, midden door de menigte, dat de koets nu voor dezen keer een weinig schielijker en zonder oponthoud kon doorrijden. Naarmate zij voortging, smolten de twee drommen, aan beide zijden teruggehouden, achter haar ineen.

Nauwelijks was Ferrer gezeten, of hij boog zich om den vicario te vermanen dat hij zich goed verscholen zou houden, op den grond van het rijtuig, en zich toch om Gods wil niet zou laten zien: maar deze waarschuwing was onnoodig. Hij daarentegen moest zich vertoonen, om het publiek bezig te houden en op zichzelven aller aandacht te bepalen. Ook deed hij weder gedurende dezen geheelen tocht zooals gedurende den eersten aan het beweeglijk auditorium eene aanspraak, de woordenrijkste misschien maar tevens de minst samenhangende die er ooit gedaan is, haar nog buitendien van tijd tot tijd doorspekkende met een Spaansch woordje, dat hij dan in allerijl zijn inééngedoken reisgezel toewierp. „Ja wel, mijne heeren ! Brood en recht! Naar het kasteel, naar de gevangenis. Onder mijne bewaring. Dank, dank, duizendmaal dank! Neen, neen! ij za t niet ontkomen! Por ablandarlos. (Om hen ter neer te zetten). Het is niet meer dan billijk. Men zal het onderzoeken; men zal zien. Ik meen het goed met u, mijne heeren! Eene gestrenge straf. Esto lo digoporsubien. (Dat zeg ik maar zoo, tot uw best). Eene billijke meta, eene ordentelijke meta en strat voor de uithongeraars. Een beetje op zijde, als ik u mag verzoeken. Ja, ja, 1 ben een eerlijk man, een vriend des volks. Hij zal gestraft worden. Het is waar, hij is een schurk, een schelm. Perdone usted. (Neem mij niet kwalij ). et zal hem slecht vergaan; slecht vergaan zal het hem,.... si esté culpa e>

Sluiten