Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Haag of op Hofwyck, besluit hij met een hartgrondig: „Laus Deo!' En wij willen den dichter wel gelooven waar hij in den aanvang van zijn Zeestraet schrijft:

Een jong hert, wel geraekt van 't schoon van sijn beminde, En keurt niet schoons bij haer in wat gewest hij 't vinde;

Mijn oud hert even soo en werdt niet schoons verthoont,

Dat schoon te noemen zij by waer het wierd en woont:

lek kom van over zee, van uijt de warme landen Die over-bueren zijn van d'Africaensche stranden En hehbe daer doorsocht, doorkropen en doortre'en,

Wat heerlijck, aengenaem en liefl'lijk was of scheen,

Maer Oost of West - thuys best. O Thuys van hooge'r waerde. >

In dat thuis was het langzamerhand stil geworden. Zijne zoons waren achtereenvolgens gaan studeeren. Later gaan zij op reis: Christiaan o. a. naar Frankrijk, Philips met een gezantschap naar Zweden en Polen. „God behoede hem" schrijft vader Constantyn in zijn Dagboek, zooals Christiaan eens in het zijne had geschreven, toen Maurits on Constantijn naar Leiden vertrokken. Ook in zijn kring wordt het stiller en stiller. Hoe velen waren hem reeds voorgegaan! En nog steeds vallen zij om hem weg: zijn geliefde broeder Maurits, zijne zusters Geertruy en Constance, hare echtgenooten, Doublet en Le Leu de Williem, zijne zwagers Van Dorp en Van Baerle, Hooft en Heinsius, Cats, zijn leermeester en vriend Dedel, Van der Burgh en Brosterhuyzen, Anna Roemers en Tesselschade, Vondel en wie al niet meer — hij heeft hen allen overleefd. Ook een zijner zoons, Philips, den jong-

1 Gedichten VII, 113.

Sluiten