is toegevoegd aan uw favorieten.

Rinske Sonnema

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheen 't gas warm door. De deur stond aan. Z'n hoed even lichtend, gaf hij Rinske 't valies, en keerde zonder haar dank af te wachten, op z'n schreden terug. Hij had blijkbaar haast. In een groote stad heeft iedereen het druk, zelfs 's avonds tegen elven.

Met moeite trok zij zich aan de leuning de vier treden van de stoep op. Toen kwam ze in een klein portaaltje. Links, tegen een matglazen-deur, las ze: „café".

Dood-af, vroeg ze niet of 't daarbinnen ook misschien onveilig mocht zijn. 't Kon haar niets meer schelen. Zitten — rusten, dat was alles wat ze op dat oogenblik wou.

Ze vatte den knop en waggelde binnen.

Nog even zag Rinske een buffet, een biljart, tafeltjes en stoelen, en ook in een dikken walm van sigarenrook, een paar mannen — meer niet. Het begon haar voor de oogen te draaien. De koffer gleed uit haar handen en bonsde tegen den grond — zij zelf kon nog juist neervallen op een stoel. Toen werd 't donker in haar — ze zag noch hoorde meer; dof lag ze neer in een nacht van niet-zijn.

De kastelein en drie bezoekers die genoeglijk bij de kachel onder een potje bier zaten te keuvelen, schoten overeind en liepen naar de bezwijmde toe.

„Jan!" schreeuwde de logementhouder tegen een groezelig kellnertje, die met z'n ellebogen op de groote gelagtafel zat te slapen. „Jan — roep de juffrouw en zeg dat ze gauw met water en azijn komt."