Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Va. De andere component heeft één stabiele vloeibaar kristallijne phase.

Yb. De andere component heeft geen vloeibaar kristallijne phase.

Yrtj. Aan de eene zijde komt het vormingsgebied der vloeiende kristallen niet in contact met de vaste phase (zie fig. 24).

Component A heeft dan een stabiel overgangspunt bij C en een stabiel smeltpunt bij D.

Component B heeft een stabiel smeltpunt SB —> L bij I.

II en E zijn metastabiele smeltpunten van de vloeiend kristallijne phasen FB, en FB2.

Sluiten