Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewaarschoolhouderessen ontleenen wij aan Gemeentebelangen, 3e jaargang, blz. 81: „Een eigenaardig voorbeeld van samenwerking bieden de gemeenten Rotterdam en 's-Gravenhage. Beide bezitten vele gemeentelijke bewaarscholen en hebben dus veel onderwijzeressen noodig. Nu werd reeds in 1904 door de raadscommissie voor het onderwijs het voorstel gedaan een commissie van Rotterdamsche en Haagschc deskundigen te benoemen om te overwegen eenheid te brengen in de exameneischen voor onderwijzeres aan een bewaarschool in Zuid-Holland en zoo mogelijk voor die akte één examen te doen houden. Een dergelijke commissie werd ingesteld en was zeer sterk voor dit denkbeeld. In de eerste plaats zullen van de geslaagden van beide gemeenten naar open plaatsen kunnen dingen, waardoor de keuze verruimd wordt. Dit zou ook te bereiken zijn door de tegenwoordige akten wederzijds geldig te verklaren, doch dit is niet gewenscht, omdat de eischen niet dezelfde zijn en de eene gemeente dus nooit gewaarborgd is, dat de elders geslaagden de eischen, die zij meent te moeten stellen, bezit. In de tweede plaats zou door de regeling een eerste stap worden gezet naar eenheid in de opleiding voor het bewaarschoolonderwijs in het geheele land, die echter wel niet zonder wet bereikbaar zal zijn. Een goede regeling der zaak zal zeker maken, dat het gemeenschappelijk diploma een goeden naam in het land krijgt en ook personen van elders aan het examen zullen deelnemen.

Nadat de verschillende autoriteiten het over een regeling eens waren geworden en Gedeputeerde Staten de bij art. 121 der gemeentewet gevorderde toestemming hadden gegeven, stelden burgemeester en wethouders van Rotterdam een regeling voor, waaruit wij alleen vermelden, dat er twee akten zullen zijn éen voor onderwijzeres en éen voor hoofdonderwijzeres aan een bewaarschool en dat de eischen daarvoor nauwkeurig moeten worden omschreven, dat de examens zullen worden afgenomen door een commissie, bestaande uit een elk jaar voor de helft door burgemeester en wethouders van Rotterdam en de andere helft door burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage in een in gemeen overleg te bepalen aantal te benoemen leden en plaatsvervangende leden, doch ten minste uit 12 leden en 6 plaatsvervangende leden. De kosten worden door iedere gemeente voor de helft gedragen."

Hieronder volgen de voornaamste bepalingen uit de

Sluiten