Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

digheden zijn het maar al te veel plaatsen geworden, die slechts door een betrekkelijk kleinen kring van personen wordt bezocht. Dikwijls was ook meer liefde voor de historie dan voor de kunst de drijfveer tot het aanleggen der "hier bedoelde verzamelingen, ja soms gelden meer materieele redenen. Zoo grondden B. en W. der hoofdstad hun voorstel om het Geschiedkundig MedischPharmaceutisch Museum over te nemen op het groot aantal bezoekers: „Daardoor immers zal de verzameling in haar geheel behouden blijven, welke, blijkens het groot aantal bezoekers — 7723 in de maanden October tot ultimo December 1908 — inderdaad tot de aantrekkcltjkheden van Amsterdam moet worden gerekend."

Dikwijls bedoelt men dan ook niet in de allereerste plaats een bron van genieten of ontwikkelen te scheppen voor de inwoners, maar van eene „attractie" voor de vreemdelingen. Als regel wordt daar ook entrée geheven. Eene tegemoetkoming aan den geest des tijds is dan een enkele dag het museum om-niet open te stellen. Hoe hoog dit gewaardeerd wordt blijkt zeer duidelijk uit het verslag van het Alkmaarsch museum, dat op de enkele dagen waarop het om-niet bezichtigd mag worden, door meerderen wordt bezocht dan op de dagen, waarop het voor f 0.25 open is gesteld. Zutphen levert in dit opzicht ook een voorbeeld. Het museum is daar toegankelijk voor / 0.10, maar den ls'en en en 3den Zondag van iedere maand gratis. Er kwamen in 1908 993 betalende tegen 1130 niet-betalende bezoekers. Sommige musea houden er een heel tarief op na. Zoo geldt voor het Museum van Oudheden der gemeente Rotterdam het volgende: 5 cent op alle werkdagen behalve Maandag; 5 cent op Zon- en feestdagen; 25 cents des Maandags; Vereenigingen, Schoolklassen, Gestichten enz. betalen 1 cent per persoon; jaarkaarten 50 cent.

In de bepaling, dat schoolklassen kunnen volstaan met i cent per persoon vinden we het besef dat een museum aan meer dan aan vreemdeiingverkeer dienstig kan worden gemaakt Men klaagt over de tuchteloosheid van de jeugd, over de verruwing door sport, mogen paedagogen en onderwijzers in deze richting een tegenwicht zoeken. Voor Toynbee-werk, voor „Ons Huis" en dergelijks ligt hier een ruim veld van arbeid nog open. De ervaring in de laatste jaren met vereenigingen als Voor de Kunst, Kunst aan het Volk, Kunst aan allen, enz. opgedaan, bewijst, dat wie zich deze taak zelf wil opleggen, zich een dankbare heeft gekozen.

Sluiten