Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kader onzer schoolwetgeving. Reinheid is een deugd en zeker ook een maatschappelijke deugd, want onreinheid van den een kan schadelijk voor den ander zijn. Daar nu art. 35 der wet op het lager onderwijs gebiedt, dat het onderwijs dienstbaar gemaakt moet worden aan de opleiding tot maatschappelijke deugden en schoolbaden almede tot de krachtigste middelen behooren om tot reinheid op te wekken, kan de wetgever niets tegen invoering van zulke inrichtingen hebben, te meer daar hij zelf, door het stellen van allerlei voorwaarden aan de ligging en den bouw der schoollokalen, zich opgeworpen heeft als bevorderaar van veel, wat de gezondheid der leerlingen nuttig kan zijn.

Welke zijn nu de gevolgen geweest, die te Amsterdam verkregen zijn met het schoolbad ? Hel wegzenden wegens ongedierte werd veel zeldzamer dan tot nu toe het geval was geweest; huidaandoeningen, waaraan de kinderen lijdende waren, waren in veel gevallen dadelijk verdwenen en de instelling beantwoordde volkomen aan de verwachtingen. Dat de lichamelijk sterker geworden leerlingen ook beter in staat waren het onderwijs te volgen, is duidelijk. „De kinderen zijn er bijzonder mee ingenomen en meermalen kon men waarnemen, dat de baden door de ouders zeer worden gewaardeerd," aldus luidt het van officieele zijde. Later leest men in het verslag van Amsterdam, dat opgevallen is de meerdere zorg, die van huis uit besteed wordt aan de onderkleeren. De ouders worden er dus niet zorgeloos onder, maar zorgzaam. (Men had den goeden voorzorgsmaatregel genomen, de badinrichting ter bezichtiging voor de ouders open te stellen en hen te laten zien, op welke wijze het baden geschiedde),

Nauwkeurige berekeningen van de kosten van het schoolbad te Amsterdam hebben doen uitkomen, dat de jaarlijksch weerkeerende kosten van onderhoud ongeveer anderhalven cent per kind en per keer beliepen. Geen rekening is hierbij gehouden met de kosten van aanleg. In een later jaren gestichte inrichting, waarbij men de kosten van aanleg wél berekende, bleek het, dat het bad gemiddeld op 4,5 cent kwam, met inbegrip van renteaflossing van het voor bouw en inrichting bestemd kapitaal. Bij het toenemen van het aantal baden, dat tot 3000 kon worden opgevoerd, werd de kostende prijs lager. Zooals boven reeds is medegedeeld, geeft de gemeente Arnhem aan een daar bestaande badinrichting een zoodanige subsidie, dat elk bad op 6 cent komt.

Men ziet er dus uit, dat uit een financieel oogpunt de exploi-

Sluiten