is toegevoegd aan uw favorieten.

Over de verandering der refractie gedurende den loop van het leven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kolommen geplaatste leeftijden hadden (de emmetropie als nulpunt beschouwende) en vinden daarvoor:

op 40-jarigen leeftijd : Hm 0,09

op 45-jarigen leeftijd : Hm 0,20

op 50-jarigen leeftijd : Hm 0,32

op 55-jarigen leeftijd : Hm 0,40

op 60-jarigen leeftijd : Hm 0,55

Nu kunnen wij vervolgens uit deze gegevens eene curve construeeren, welke het verloop der refractie voorstelt gedurende het verdere leven van het oog, dat in de jeugd emmetropisch (eigenlijk Hm 0,09) is, en deze curve toetsen aan de bekende curve van Donders. Deze laatste kromme is slechts uit een gering aantal waarnemingen opgebouwd en mist het voordeel, dat zij is samengesteld uit refractiebepalingen bij dezelfde personen op verschillenden leeftijd. Voorts hebben wij in onze gevallen met normale emmetropische oogen te doen, wat bij de curve van Donders niet zeker was. Figuur 1 b stelt onze curve voor. Op de abcissenas zijn de verschillende leeftijden uitgezet, dus vanaf het 45ste jaar om de vijf jaar tot het 60ste. Wat moeten wij echter met den leeftijd voor het 458te jaar „in de jongelingsjaren" aanvangen? De bepalingen geschiedden hier op zeer uiteenloopenden leeftijd, van het 19de tot het 408te jaar. Toch moeten wij, om tot eene algemeene curve te geraken en niet eene afzonderlijke kromme voor elk der 377 oogen te behoeven te trekken, een bepaald jaar hiervoor aannemen. Als zoodanig zullen wij het gemiddelde, namelijk den 30-jarigen leeftijd aannemen. Vóór het 30ste jaar zai (je refractie wel geene verandering hebben ondergaan (de prilste jeugd natuurlijk uitgezonderd) en zal de lijn dus evenwijdig aan de abcissenas en vlak er naast hebben moeten loopen (verwaarloost men de geringe hypermetropie van 0,09 dioptrie, dan