Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. Bestaat er wrijving tusschen het ondereinde A van de ladder (fig. II) met het horizontale vlak AD, dan werken er in den evenwichts¬

toestand vijf krachten op de ladder, nl.: lu. haar gewicht G — 100 K.Q.; 2°. de reactie Ri van den muur; 3°. de reactie Ru van den horizontalen bodem; 4°. de in horizontale richting op het ondereinde A werkende wrijvingsweerstand, die gelijk is aan het product fR' van den wrijvingscoëfficient 0.5 niet den normalen druk R't en 5'1 de gezochte horizontale kracht P, tegen het ondereinde A van de ladder.

Door die vijf krachten te projecteeren op eene verticale lijn verkrijgt men de betrekking: R1 = G = 150 K.G.

en door ze te projecteeren op een horizontale lijn, komt men tot de betrekking: Pi + fRi' - R, = 0 waaruit volgt: P, R, - fR' = Ri - 0.5 X 150 = R, - 75 K.G.

De algebraïsche som der momenten van de vijf krachten ten opzichte van het punt A gelijk nul stellende, krijgt men:

R, X BD - G X AE = 0

Oi R, = BB X °'

AF . -

Nu vonden wij hierboven (sub a) dat ^ X G = 50 V 3 K.G. is,

zoodat Ri = 50 V 3 K.G. en dus

P, = R, - 75 = 50 V 3 - 75 K.G.

K-. ©IX H.V.

1884. No. 2.

Drie volkomen gelijke cylinders, die ieder P. K.G. wegen, zijn zoodanig geplaatst, dat zij elkander raken. De eerste rust op een horizontaal vlak en raakt een hellend vlak; de tweede rust op het hellend vlak en raakt den eersten; de derde rust op den eersten en tweeden. De assen der cylinders kruisen de richting van het hellend vlak rechthoekig. Hoe groot moet de kracht zijn, die deze cylinders zal kunnen tegenhouden, als de

Sluiten