Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

v"i11 = 50 X 2 = 100 M. en FD = v, t, - ~ gt,' = 20 X 2 - ^ X

10 X 25 = 20 Meter.

In het punt F zijner baan bevindt zich het lichaam op dezelfde hoogte van 20 Meter boven het horizontale vlak BE als in het punt A, waaruit het oorspronkelijk is voortgeworpen en heeft het ook dezelfde snelheid als in het punt A nl. een horizontaal gerichte snelheid gelijk aan 50 Meter per seconde. De paraboolboog FE is dus dezelfde en wordt onder geheel dezelfde omstandigheden doorloopen als de boog AC, zoodat de grootte en de richting en de richting der snelheid, waarmede het lichaam in E voor de tweede maal het horizontale vlak BE treft, dezelfde zijn als die, waarmede het lichaam voor de eerste maal in C dat vlak heeft getroffen. De afstand BE van het voetpunt B der loodlijn AB uit het beginpunt A der beweging op het horizontale vlak BE neergelaten, tot het punt E, waar het lichaam voor de tweede maal het horizontale vlak BE treft, is dus 3 X BC 3 X 100 = 300 Meter. De tijd, waarin het lichaam van A tot E komt is 3 t 3X2 = 6 secunden en de hoek, waaronder het lichaam in E het horizontale vlak treft is dezelfde als die, waaronder het voor de eerste maal in C tegen dat vlak botst, nl. 21" 48'.

K..

1892. No. l.

Eene homogene staaf lang 6 dM. rust met het onderuiteinde op een horizontaal vlak en wordt op 1van hare lengte, van het bovenuiteinde gerekend, gesteund door eene horizontale pen. Hoe hoog moet deze pen boven het horizontale vlak liggen, opdat de staaf op het punt zij van uit te glijden? De wrijvingscoëfficient is, voor beide puuten, waar de staaf steun vindt, ƒ = 0.2.

De staaf AB (zie figuur) welker lengte 6 d.M. is, steunt met haar ondereinde A op een horizontaal vlak FO en is in het punt C, dat zich op een derde van de lengte der staaf van haar uiteinde B bevindt (zoodat dus BC

= AB is) ondersteund door eene

horizontale pen. Wanneer de staaf in evenwicht is, doch op het punt staat van uit te glijden, werken op de staaf de volgende vijf krachten: le haar gewicht G aangrijpende in haar zwaartepunt D, welk punt, aangezien de staaf homogeen en overal even dik wordt verondersteld, in het midden van de lengte der staaf ligt, 2e de normale

Sluiten