Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aau het lagere gedeelte der tafel speelde Engistus de grootste rol; met een gelaat rood als vuur en eens zoo dik als gewoonlijk , schreeuwde hij om wijn, en om alles, waarom men slechts schreeuwen kan, sloeg bij elk woord, dat hij zeide, om meerder klem aan zijn redenen te geven, met de volle vuist zoodanig op de tafel, dat dezelve dreunde, drukte iedereen de hand, zwoer eeuwige vriendschap aan elk dergenen, die onder zijn bereik was, in één woord, hij stelde zich zoodanig aan, dat hij weldra de opmerkzaamheid der hooge gasten, en inzonderheid die des Konings tot zich trok.

»llw schildknaap schijnt een vroolijke knaap te zijn, Heer Ridder!" sprak Ritsart, zich tot Lem wendeude.

z/Hij heeft te veel gedronken," gaf de Ridder ten antwoord, ,/en vergeet, dat hij zich in uw tegenwoordigheid bevindt, indien hij zich niet matigt, zal ik hem noodzaken, de hal te verlaten."

//Integendeel,1' sprak Ritsart, die door den wijn bedwelmd, zijn rang geheel en al vergat, en bijzonder veel behagen in het zinnelooze geschreeuw des schildknaaps schepte. //De knaap bevalt mijen daarop zijn stem verheffende, riep hij den schildknaap.

Toen Engistus hoorde, dat de Koning hem riep, wilde hij dadelijk opstaan; doch daar hij op dit oogenblik in geene goede verstandhouding met zijn evenwicht was, viel hij op de nevens hem zittenden, met wier hulp hij eindelijk tot staan kwam.

//Gij moet ons iets voorzingen, vroolijke knaap'" gebood Ritsart.

«Zingen," riep Engistus, „vergeef het mij, o Koning!

0*