Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II.

Nadat Rolla den grijsaard, wiens waren naam het

doelloos zoude zijn hier te verzwijgen, en dien wij dus in het vervolg Bonifacius zullen noemen, verlaten had, begaf hij zich naar zijn klein vertrek, en gaf zich, inet beide handen op de steenen tafel rustende, aan den loop zijner gedachten over.

Het waren echter geenszins die zoete mijmerijen, waaraan de jeugd zich zoo gaarne overgeeft, waarin een aanminnig vrouwenbeeld voor onze zinnen zweeft en de toekomst ons vroolijk tegenlacht. Neen, zwart, donker en akelig als een stormachtige Novembernacht, wanneer geen enkele star aan den zwart gekleurden hemel glinstert, waren de beelden, die in 's jongelings ziel opstegen. In zijn binnenste voerde hij een zwaren strijd, den strijd tusschen plicht en wraak.

Zoude dit niet met recht de hevigste strijd kunnen genoemd worden? geen hartstocht, de liefde zelfs niet uitgezonderd, is sterker dan de wraak; zij schiet diepe, zeer diepe wortelen in onze ziel, en om deze te bestrijden, behoort een moed, welken weinigen bezitten.

„Bemin degenen, die u haten, zegen degenen, die u vloeken," zoo riep vaak een stem in Rolla's boezem ; doch dan weder vertoonde zich het hemelsche gelaat zijner Frisa voor zijn ontstelden geest, en naast haar dat zijns broeders Gundebald. Snel en hoorbaar was zijn ademhaling, in groote druppelen parelde het zweet van zijn voorhoofd, en de ineengekrompen vuisten bewezen, hoe zwaar de strijd des geestes is.

Eindelijk werd de deur geopend, en een man van

Sluiten