Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dalvilliers glimlachte. «Komt de twijfelgeest weer in uop?"vroe" hij; «neen ik twijfel niet aan mijn heil. O Reinout, ik wilde dat ik ons land nog eens zoo gelukkig kon zien, zoo gelukkig kon maken als ik het zelf ben!"

«Ons land!' zeide Meerwoude, uit zijn gepeins ontwakend, — een minachtende trek krulde zijn lippen — «ja, dat is een groot woord een groot ideaal!" Hij lachte half bitter, half hoonend; zijn oordeel was immers waar? en toch terwijl hij het uitsprak, greep hem een vreemd gevoel aan. Hij zag om zicli heen en de dingen kwamen hem veranderd voor, het was als droegen zij een uiterlijk, dat hij niet kende, een uiterlijk zoo veranderd als zijn eigen binnenste. Hij was in weinige oogenblikken oud geworden, want hij had afgedaan met al de droomen, al de voonemens zijner jeugd, en toen °hij nu zoo spottend over het woord vaderland sprak, voelde hij plotseliii" dat het werkelijk voor hem slechts een leege klank was. Hij za» < np genoeg om niet, gelijk Davilliers, aan een verzoening met het bewind te gelooven; hij wist dat het tot een strijd zou komen, en hij had zich bij den vreemdeling aangesloten. Weer ging die ijzige koude door zijn leden, die hem vóór jaren had aangetast, toen hij tot zich zelf sprak, dat niets dan eigenbelang de wereld beheerschte; nj had voor t eerst naar die erkenning gehandeld, en daarmede was ook hij een ander man geworden. Hij zou aanzien en invloed verwerven, hij zou veel bezitten, maar hij had ook iets verloren. De grond, dien zijn voet betrad, behoorde hem niet meer; het volk waaronder hij leefde, was niet langer het zijne; de vreemde gezagvoerders zouden hem veel kunnen schenken, — een vaderland had hij niet meer!

Sluiten