Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lang en goed bemerkt, maar voor hem ging die erkenning als 't ware plotseling op. Het geloof zijner kindsheid, dat niet gestreden had om den twijfel te overwinnen, wijl het den twijfel niet kende, was zoo langzaam, zoo zonder groote gebeurtenissen uit zijn borst geweken, dat liij zelf met verwondering zag, hoe zijn geest zich nooit over dien gewichtigen omkeer onderhouden had. Na de ontzetting waarmee hij eens Reinouts ongeloof kennen leerde, na den diepen indruk van afschuw, door de aflaatprediking in hem teweeggebracht, was geen strooming meer tegen den gescheurden dam van zijn Katholicisme komen aanbruisen, maar iedere nieuwe dag had met bestendigen schoon zwakken golfslag de kloof verbreed, en geen hand had die, toen het nog tijd was, gedempt. Viale toonde hem alleen de schaduwzijde zijner leer, haar onverdraagzaam, meedoogenloos en hoogmoedig karakter. Hij had de eenvoudige kerk zijner jeugd uit het gezicht verloren, had het Katholicisme leeren kennen, zooals het op den troon der macht zetelde en in de groote kathedralen pronkte; hij had gevonden dat de wetenschap der kerk geen. oplossing voor de problemen had, die men haar stelde, dat haar kennis feilbaar en haar liefde koud was. Zij droeg geen erbarmende zachtheid in het hart, en de lippen harer dienaars spraken het Joodsche: kruisigt hem, niet het Christelijke: vergeeft hun. Er was geen gloeiende verontwaardiging in zijn borst tegen haar, de vroeger aangebedene, ontwaakt; hij had de tooneelen, die zulk een gevoel konden opwekken, niet bijgewoond, hij had haar niet in de daden harer onverdraagzaamheid aanschouwd; maar hij had toch de taal harer vervolging vernomen, en ofschoon hij voor de andersdenkenden, die zij bedreigde, niet de deelneming koesterde, die uit den aanblik van hun lijden zou zijn geboren, hij voelde geen sympathie meer voor de gedachte, die zich alleen door geweld meende te kunnen handhaven. Hij had steeds van den grooten schat van geloof en eerbied, dien hij met zich naar Brussel bracht, uitgegeven, zonder ooit te ontvangen, en nu was die rijkdom uitgeput.

Viale vorderde een ijver in dienst der kci'k, dien hij niet langer bezat. Toen de graaf hem op den morgen na dat eerste openlijke verzet ernstig over de noodzakelijkheid van een streng gedrag tegen de ketters onderhield, en daarbij sprak als twijfelde hij niet, dat Edward met even vurige wenschen voor de zegepraal der kerk bezield was, maar door een onbezonnen medelijden in de volle uiting van zijn geestdrift weerhouden werd, had de jonge man pijnlijk gevoeld aan hoe groot een zelfbegoocheling zijn beschermer zich overgaf. Neen, hij leefde niet meer in die zegepraal, en huiverde niet voor haar bestrijders; hij was een onverschillige, waar men eischte dat hij als ij veraar zou optreden.

Sluiten