Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ooit te verstaan. Hij voelde dat de wateren, die zijn levensboot droegen, vol ondiepten waren, die liij nooit verwacht had, maar hij zag geen kans om de lichtzinnig verlaten haven weer te bereiken.

Zijn hoofd was heet en zwaar, hij kon niet langer arbeiden; somber trad hij aan het raam en staarde op de drukke straat. Menig gezicht onder die voorbijgangers was hem bekend, hij zou bet dien avond opnieuw aanschouwen, terwijl het zich met minzame uitdrukking naar hem toekeerde, om misschien een oogenblik later in de plooien van argwaan en minachting te staan, menigen naam kon hij als dien van een makker noemen; maar onder al die menschen was er geen die eenig hart voor hem bezat, en hij kwam zich niet minder eenzaam voor dan in die dagen, toen zij allen slechts vreemden voor hem waren. Onbevredigd wendde zijn blik zich af; doch binnen de muien van zijn stil vertrek vond hij geen rust, hij moest een afleiding voor zijn kwellende gedachten zoeken, en zoo verliet hij zijn woning om zich onder de voorbijstroomende menigte te mengen.

Het was een schoone, frissche middag. De verkwikkende lucht deed hem goed, en het gezicht der beweging om hem heen verdreef ten minste gedeeltelijk de sombere voorstellingen in zijn binnenste. Brussel bezat zulk een rijkdom van typen, dat zelfs nu, ofschoon de meeste voorname edelen met hun gevolg de hoofdstad hadden verlaten, haar straten een beeld van het drukste leven vertoonden, en even druk waren de gesprekken die men er vernam. Edward kon niet over gebrek aan verstrooiing klagen, en de onderwerpen, die men behandelde, stonden in zoo innig verband met de groote vragen van den dag, dat zij ook in den mond der meest gewone lieden belangrijke woorden legden.

«Hij moet een goed redenaar zijn, een tweede De la Grange," sprak een dicht in zijn donkeren mantel gehulde burger tot zijn makker, die eveneens een wijden mantel droeg en den hoed diep over 't voorhoofd getrokken had.

»Dat is een blijde tijding, broeder; het woord is ons in lang niet verkondigd," klonk het zacht terug, maar niet zoo zacht of Edward, die hen juist, voorbij wilde gaan, vernam de woorden en begreep terstond hun zin. Het was een kettersche prediking, waarop gedoeld werd. Nu eens oogluikend toegelaten, dan weer met de uiterste gestrengheid vervolgd, altijd onder de grootste gevaren hadden zich deze preeken zelfs iti de onmiddellijke nabijheid der residentie in stand weten te houden en Melville had van zijn bekenden, die er uit nieuwsgierigheid heengingen, dikwijls daarover gehoord, hij zelf echter had deze vergaderingen nooit bijgewoond. Zijn afschuw van

Sluiten