Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrouw, ik twijfel niet aan uwe macht, en al deed ik zulks, het zou mijn ijver voor uw dienst niet verminderen. Ik bezit vele fouten, maar een gevoellooze egoïst ben ik nooit geweest, en wist ik dat mijn gebiedster niet gelukkig was, het zou mijn gedrag jegens haar niet veranderen, doch ik zou moeten weten, dat mijn werkzaamheid haar van nut kon zijn, en hier weet ik het tegendeel. Zoo de prins van Oranje gevaarlijke bedoelingen koestert, en dus door u een vertrouwd persoon tot toezicht in Antwerpen gewenscht wordt, zijn er velen tot uw beschikking, beter daartoe in staat dan ik, velen ouder, meer geoefend en meer ervaren, — misschien ook minder angstvallig. Al de eigenschappen in mij, die Uwe Hoogheid misschien bij andere gelegenheden konden dienen, maken mij juist voor dit ambt ongeschikt; de gedachte, dat ik heimelijk mededeelingen over iemand zou moeten doen, die hem ten verderve konden worden, zou mij stuiten, al zeide ik mij nog zoo vaak dat de staatkunde zulk een list vorderde, en ik zou geen daad goed kunnen verrichten, die ik begon met nooit gedaan te wenschen. In naam van de taak zelf, die mij wordt opgedragen, moet ik ze afwijzen, maar genadige vrouw, laat mijn weigering geen toorn in u opwekken, vergun mij u te dienen, al zij het niet op deze wijze."

Er was zooveel eerbied in Edwards toon, dat de landvoogdes inderdaad geen wrok kon gevoelen, en ondanks de vaste weigering, die zijn woorden uitspraken, was de bevrediging die het haar schonk, een geheel persoonlijke deelneming te hebben verwekt, voor het oogenblik groot genoeg 0111 elke opwelling van gekwetste majesteit te onderdrukken. Zij zag op de meeste gezichten zoo weinig gevoel voor haar lot als vrouw, en wist, dat met het bekend worden der koninklijke ongenade ei- ook zoo weinig gevoel voor de vorstin op zou staan, dat een zachter aandoening haar borst doortrilde, terwijl zij hem tot antwoord op zijn verzoek de hand reikte. Een ongekunstelde welwillendheid sprak uit dat gebaar, en ook haar stem klonk onmiskenbaar oprecht, toen zij nu zeide: »ja, ik wil op u rekenen; ach, geloof mij, er zijn diensten, die wij vorsten nooit zouden vorderen, als wij niet zooveel verraad om ons heen zagen.

Wat wij willen " zij kon haar woorden niet ten einde brengen,

want de deur werd geopend en een dienaar meldde, dat de heer van Meerwoude om gehoor vroeg. Margareta nam haastig haar gewone uitdrukking van gelaat weder aan. »Laat hem over eenige minuten binnen," beval zij, en zich dan tot Edward wendend sprak zij bedaarder en meer op den toon van gebiedster: »de graaf van Viale zeide mij, en ik eerbiedig uwe gronden, dat gij niet lang in Brussel wenscht te vertoeven; hecht 11 echter niet te zeer aan uw

Sluiten