Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE HOOFDSTUK.

B:en quc le cceur soit mort, on en soulïrc toujonrs.

Louise Ackermann.

In Antwerpen had de tijding der nederlaag een vreeselijken indruk gemaakt. Niemand ging dien nacht ter rust; het waren hleeke, door lang waken uitgeputte gezichten, met oogen brandend en droog van een° koortsachtig gespannen blik, waarmee zij gedurende zooveel uren den strijd hadden gevolgd, doch het waren ook toornige, verbitterde gezichten, die Reinout aanschouwde, toen hij vroeg in den volgenden morgen binnen de stad terugkeerde. Er fonkelde niet de traan der smart, maar de gloed van den haat in de oogen van hen, die hun broeders hadden zien kampen en sterven; er rustte geen klacht maar een vloek op de lippen, die zich openden om met woestheid het woord: verraden, uit te stooten. Duizenden van menschen waren in de buurt der Meerburg en op de wallen bijeen, vanwaar zij de slachting onder Tholouze's manschappen hadden aangezien, en onder die duizenden was er geen, wien niet de taal van diepen wrok op het bleeke gelaat geschreven stond. Zelfs de bevende gedaante, die, door eenige burgers gesteund, in hun midden tegen het muurwerk leunde, en (Ten blik ook nu nog geen seconde van het kampterrein afwendde, ontving meer woeste verzekeringen van de bloedige voldoening, die men haar zou verschaffen, dan woorden van troost voor haar leed. Het was Dalvilliers* jonge vrouw. Den geheelen vorigen dag had zij daar op de wallen gestaan; zij had er haar echtgenoot gezien, haar v rooi ijk toewuivend; zij had hem het zwaard zien grijpen, en haar zwakke stem was luid en krachtig geworden om de burgers tot bijstand op te roepen; zij had haar pogingen vruchteloos gezien, en toen — neen, wat toen volgde had zij niet gezien. Een diepe nacht was over haar gekomen, waaruit haar niets meer voor oogen stond, dan de blik, dien zij bij haar ontwaken op betraande gezichten sloeg,

Sluiten